De aanhoudende vakbondsbetogingen in Brussel en elders in Europa hebben de klassieke breuklijn tussen links en rechts na jaren van relatieve rust opnieuw scherpgesteld. De nasleep van de crisis heeft meer dan ooit getoond hoe nauw het nationale en het Europese beleidsniveau met elkaar verweven zijn geraakt en, meer nog, dat de toekomst van onze sociale bescherming op beide niveaus bepaald wordt. De Europese Unie is daarbij een relatief nieuw strijdtoneel en de vraag stelt zich in welk soort van omgeving de sociale partners terecht komen in ‘Brussel’. Dit essay argumenteert dat het huidige Europa structureel betere kansen biedt om een rechts-liberale agenda te implementeren dan voor sociale harmonisatie, de centrale eis van de betogers. Die scheefgroei is deels te wijten aan de huidige dominantie van centrumrechtse regeringen, maar zit daarnaast ook in de instellingen zelf ingebakken en maakt het moeilijk om van een sociaal Europa te spreken.