Nu de sociale partners onderhandelen over een nieuw interprofessioneel akkoord, duiken een aantal klassieke discussiepunten op. Eén van de steevast terugkerende mantra’s is de roep om loonmatiging. Vooral werkgevers zijn hier al jaren vragende partij voor. Nu de Duitse economie het (ogenschijnlijk) heel goed doet[1], krijgt dat pleidooi maatschappelijk steeds meer bijval. Dit artikel wil echter niet zozeer focussen op het klassiek ‘economisch’ debat over loonmatiging (zoals effect op werkgelegenheid, innovatie, productiviteit …), maar stelt zich de vraag welke groepen wel varen bij een politiek van loonmatiging[2]. Aan de hand van de Nederlandse en Duitse voorbeelden gaan we na wat het verdelingseffect van loonmatiging zou kunnen zijn in België. We focussen op de volgende zaken: het aantal werknemers met een laag loon, het aantal werkende armen en de inkomensongelijkheid. Rekening houdend met het Nederlandse en vooral het Duitse voorbeelden, is er volgens ons een serieus risico op stijgende ongelijkheid. Met het oog op de vrijwaring van de koopkracht van de zwaksten in onze samenleving moet een politiek van loonmatiging bijgevolg worden vermeden.
Nederland en Duitsland als gidslanden?
Om het effect van loonmatiging in te schatten is het altijd eens interessant om ‘over het muurtje’ te kijken naar wat er zich in de buurlanden afspeelt. Nederland en Duitsland hebben immers al een zekere traditie op het gebied van loonmatiging. Voor de start van de Nederlandse loonmatiging wordt vaak verwezen naar het ‘akkoord van Wassenaer’ van 1982. In heel eenvoudige taal, komt het erop neer dat vakbonden akkoord gaan met een politiek van loonmatiging in ruil voor vormen van arbeidsherverdeling (vooral onder de vorm van stimulering van parttime tewerkstelling). Gedurende de jaren ’80 steeg de tewerkstelling sterk, vooral de Nederlandse vrouwen werkten voortaan massaal parttime. Op dit ogenblik werkt 60% van de vrouwen er nog steeds halftijds. De Duitse loonmatiging is voor een groot deel recenter van aard, maar tegelijkertijd ook een stuk extremer. Vanaf 2000 worden vooral in de Duitse exportsector de lonen gematigd, zelfs in die mate dat de lonen achterblijven op de productiviteit. De loonmatigingspolitiek wordt in beide landen beargumenteerd vanuit een dubbel perspectief. Enerzijds, en dat is het meest gehoorde argument, wordt loonmatiging gezien als een middel om internationaal competitief te blijven. In een verscherpte internationale omgeving is ‘beheersing’ van de loonkost nu éénmaal onontbeerlijk, aldus deze redenering. De legitimiteit van deze claim is echter twijfelachtig. De Nederlandse competitiviteit is er (zo) immers op achteruit gegaan, mogelijks zelfs als gevolg van de loonmatigingspolitiek[3]. Anderzijds, wordt vaak gesteld dat productiviteitswinsten kleiner zijn in een steeds meer tertiaire economie. Vooral bij laaggeschoolde jobs in de dienstensector (bijv. horeca, kappers …) stijgt de productiviteit trager, waardoor bij hoge loonkost de minst ‘productieven’ worden uitgestoot. In die zienswijze zit wel een grond van waarheid, maar dat betekent niet dat loonmatiging de enig denkbare oplossing is. We komen hier nog op terug. In dit stuk bespreken we verder de verdelingseffecten van loonmatiging. We bespreken achtereenvolgens het effect op laagste lonen en werkende armoede enerzijds en het effect op de globale inkomensverdeling anderzijds.
Laagste lonen onder druk, met meer werkende armoede als gevolg
De Nederlandse en Duitse voorbeelden tonen aan dat de loonmatiging geenszins een uniforme trend is. Het is immers niet zo dat er voor alle werknemers geen loonstijging in zit. Door de segmentatie van de arbeidsmarkt in een ‘primair’ en een ‘secundair’ deel, worden vooral de zwakste werknemers getroffen. Bijgevolg is loonmatiging veel sterker aan de onderkant, dan aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. Op die manier geeft loonmatiging aanleiding tot meer loonsongelijkheid en meer werknemers met een (relatief) laag loon[4]. Deze effecten werden vastgesteld zowel in Nederland en Duitsland, zij het in Nederland vooral bij mensen (vrouwen dus) die parttime werken[5]. Bij voltijdse werkende Nederlanders is het aantal laag betaalde werknemers nog altijd heel erg laag. Duitsland wordt nu dan weer aanzien als het land van de ‘hamburgerjobs’, of ‘mini-jobs’ zoals de regering-Schröder ze zelf noemde[6]. Wat het extra pijnlijk maakt, is dat de Duitsers (in vergelijking met andere landen) nogal lang in deze precaire jobs blijven zitten.
Eén van de vele vragen hierbij is in welke mate deze lage lonen aanleiding geven tot meer ‘working poor’. Werkende armoede wordt beïnvloed door twee factoren: 1) de gezinssituatie, waarbij vooral alleenstaand ouderschap een risicofactor is en 2) de hoogte van de arbeidsinkomsten, waarbij vooral lage lonen en tijdelijke contracten een negatieve invloed hebben. Ondanks de moeilijke relatie tussen lage lonen en huishoudinkomens[7] zijn er toch aanwijzingen dat de loonmatigingspolitiek in Nederland en Duitsland geleid heeft tot meer werkende armen. In Nederland was er zo gedurende de jaren ’80 een stijging van de werkende armoede[8]. Het is wel zo dat deze cijfers zich stabiliseerden in de jaren ’90 op een percentage van om en bij de 5%. Ook in Duitsland zijn er aanwijzingen van een stijgende armoede bij de werkende populatie. Volgende de EU-armoedelijn steeg de ‘in-work poverty’ van 4,8% in 2004 tot 6,8% in 2008. Vooral na 2005 zien we een stijgende armoede-incidentie[9].
Meer inkomensongelijkheid
De laatste stap in de redenering bestaat erin na te gaan hoe een groeiende groep van ‘working poor’ zich vertaalt in de globale inkomensverdeling. Meer werkende armoede leidt niet noodzakelijk tot meer ongelijkheid, indien de werkende armen voordien moesten rondkomen met een nog lagere uitkering. Volgens sommigen is meer werkende armoede dan ook de logische prijs van een werkgelegenheidspolitiek, maar gaat dat niet ten koste van de sociale gelijkheid. De cijfers spreken die redenering tegen. In Nederland steeg de gini-coëfficiënt tussen het midden van de jaren ’80 en jaren ’90 licht van 0,26 tot 0,28[10]. In Duitsland steeg de ongelijkheid dan weer veel meer uitgesproken van 0,26 in 2004 tot 0,30 in 2008[11]. Weerom is 2005 een cruciaal breukmoment met een (sterk) stijgende ongelijkheid tot gevolg. Het is hierbij belangrijk op te merken dat er niet enkel een druk is op de laagste lonen, maar dat loonmatiging ook bepaalt welk sociaal beleid mogelijk is. Lage lonen zetten immers een rem op de hoogte van de uitkeringen. Het is heel aannemelijk dat hierin de oorzaak ligt van de stijgende Duitse ongelijkheid. In 2005 was er immers een serieuze hervorming van het werkgelegenheidsbeleid, alsook van de uitkeringen (de zgn. Hartz-IV hervormingen). Een gevolg was een bijna verdubbeling van inkomensarmoede bij de werklozen. Nu hebben meer dan 50% van de Duitse werklozen een verhoogd armoederisico[12]. Belangrijk is het hierbij op te merken dat de ongelijkheid in België volgens diezelfde bronnen min of meer constant blijft[13]. De stijging van de Duitse ongelijkheid is dus niet zomaar een generieke Europese trend, maar hangt wel degelijk samen met de gevoerde politiek.
Loonmatiging beïnvloedt echter nog op een andere manier de inkomensverdeling. Het ‘verstoort’ de verhouding tussen arbeid en kapitaal. Zelfs wanneer loonmatiging in gelijke mate de rijkste als armste werknemers treft, kan de ongelijkheid toenemen. Het verschuift immers ‘maatschappelijke meerwaarde’ van lonen naar uitgekeerde dividenden. Aandeelhouders zijn de relatieve winnaars van een politiek van loonmatiging en aangezien mensen met aandelen vaak tot de hogere inkomensgroepen behoren, leidt dat ook tot meer ongelijkheid. Het spijtige van de zaak is echter dat er hierover weinig goede cijfers voorhanden zijn en dat inkomens uit kapitaal meestal niet (of imperfect) opgenomen zijn in de officiële ongelijkheidsmaten.
Meer werk met sociale gelijkheid
Uit het voorgaande volgt dat er sterke sociale argumenten bestaan om niet zomaar de Duitse en Nederlandse voorbeelden te volgen. Loonmatiging zet een druk op de koopkracht van de zwakste werknemers en leidt (vaak) in tweede orde tot lagere uitkeringen. We moeten wel werken aan alternatieven om werkgelegenheid te creëren voor kwetsbare groepen. Er bestaan hierbij alternatieven voor loonmatiging. Een combinatie van een 2-tal strategieën kan gevolgd worden. Allereerst kan de werkgelegenheid van laaggeschoolden worden gestimuleerd door gerichte subsidiëring, denk hierbij aan de dienstencheques die vele tienduizenden uit de werkloosheid heeft gehaald. Het is hierbij verstandig om vooral in te zetten op jobgroei in een groeiende publieke dienstensector. Een ruime openbare dienstensector (denk hierbij bijv. aan kinderopvang) is immers één van hoofdoorzaken voor de grotere participatie van laaggeschoolde vrouwen in de Scandinavische landen. Daarnaast moet er nagedacht worden aan gerichte verlagingen van de sociale bijdragen, enkel voor de laagste lonen. Dat kan immers helpen om de positie van de zwakke werknemers te versterken in de arbeidsmarkt. Voorwaarde hierbij is wel dat sociale zekerheid financieel gecompenseerd wordt door meer in te zetten op alternatieve financiering. Beide strategieën worden nu al gevolgd in België, maar de initiatieven zijn vaak te versnipperd en hebben te weinig budgettaire omvang. Extra inspanningen moeten worden geleverd zodat België in de toekomst kan dienen als rolmodel voor de rest van Europa.
[1]Het recente Duitse jobmirakel steunt vooral op een (kunstmatige) stimulatie van de export door middel van loonmatiging. Dat zorgt voor een onevenwicht in de Duitse handelsbalans wat volgens sommige economen mee aan de basis ligt van de huidige eurocrisis.
[2]Voor meer informatie over het ‘economisch’ debat over loonmatiging verwijs ik graag naar de bijdrage ‘Loonmatiging: een rationeel economisch beleid?’ van De Spiegelaere en Dierckx.
[3]Hiervoor verwijs ik naar de theorie van Alfred Kleinknecht over het effect van loonmatiging op productiviteit. Zie hiervoor (o.a.): Naastepad, C.W.M. & A. Kleinknecht: 'The Dutch productivity slowdown: The culprit at last?' in Structural Change and Economic Dynamics, Vol. 15 (2004), pp. 137-163. http://administration.ewi.tudelft.nl/live/binaries/ad4be6bd-843d-4a76-a8f2-54c034d16d98/doc/DutchProductivity.pdf
[4]In de international literatuur wordt vaak de term ‘low pay’ gebruikt, zijnde een loon lager dan 2/3-de van het mediane loon. Soms is er discussie of er moet gewerkt worden met uurlonen of maandlonen.
[5]‘Low pay’ (2008) Wiemer Salverda en Claudia Lucifora in ‘Oxford Handbook of Economic Inequality’.
[6]Zie het hoofdstuk ‘Low Wages Need Not Mean Low Incomes’ in het boek ‘Progress for the Poor’ van Lane Kenworthy (2011, forthcoming).
[7]Mensen met een laag loon verschaffen immers vaak een tweede inkomen aan het huishouden.
[8]Er valt wel op te merken dat er hierover weinig goede cijfers bestaan. De globale inkomensarmoede steeg alleszins in de beschouwde periode. In Nederland steeg de inkomensarmoede van 2,5 % tot 5,2% tussen het midden van de jaren ’70 en het midden van de jaren ’90 (volgens de OESO armoedelijn). Indien we de EU-armoedelijn gebruiken, komen we uit op een stijging van 5,7% tot 12%. Bron: OESO sociale statistieken, http://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=POVERTY
[9]Cijfers afkomstig van Eurostat: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tesov110&plugin=1
[10]Cijfers afkomstig van de OESO sociale statistieken. http://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=POVERTY
[11]Telkens gini-coëfficiënt. Bron: Eurostat. http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=ilc_di12&lang=en
[12]Cijfers afkomstig van Eurostat.
[13]Verschillende databronnen vertellen voor België in dat verband een ander verhaal. Volgens de fiscale statistieken steeg de Belgische ongelijkheid sterk sinds het midden van de jaren ’90. Om de trends te kunnen vergelijken met Duitsland wordt hier echter ook gebruik gemaakt van surveydata (EU-ECHP en EU-SILC).
Reacties
Wat mij ontbreekt in de studies over het verband tussen loonmatiging en dalende productiviteit is het volgende:
Als je van een lagere naar een hogere werkgelegenheidsgraad moet je dus meer mensen tewerkstellen. Uiteraard zullen in de oude situatie de meest productieve mensen al aan het werk zijn en hebben de mensen die er pas later bijkomen dus een lagere productiviteit. Deze mogelijke verklaring werd nooit onderzocht, toch niet in de studie van Kleinknecht.
Ik geef wel toe, dat in sectoren waarin er gemakkelijk gesubstitueerd kan worden tussen arbeid en kapitaal er een zekere productiviteitsdaling tot stand zal komen door substitutie. Dat dit op termijn de concurrentie-positie van technologische sectoren nadelig kan beïnvloeden, ben ik het ook mee eens. Dure arbeid kan daar inderdaad een prikkel tot innovatie zijn en voorlopen op andere landen.
Voor de dienstensector denk ik, dat substitutie niet mogelijk is tussen arbeid en kapitaal. Daar denk ik dan ook dat dure arbeid nog altijd, werkgelegenheid vernietigt. Ik denk ook dat het voor een deel van links nog altijd een taboe(Vrij Links) is om te erkennen dat mini-jobs of hamburgerjobs bestaan en ze altijd zullen bestaan, hetzij in het wit of in het zwart. Is het niet een beetje paternalistisch om die mensen te verbieden zulke jobs uit te voeren? Om de lat te hoog te leggen(d.m.v. het minimumloon) van wat een echte job genoemd mag worden? Gaat links hier niet in de fout? Je verhoogt hiermee enkel de lonen in de industrïele sector waar substitutie mogelijk is. Maar in sectoren waar die hoge productiviteiten niet mogelijk zijn, verplicht mensen ofwel in het zwart te werken ofwel dat die jobs nooit gecreëerd worden.
Ten tweede stel ik mij vragen bij de maakbaarheid van de economie. Is het mogelijk dat we kiezen of er meer of minder geld gaat naar de aandeelhouders of naar de werknemers. De prijzen van kapitaal en arbeid worden toch bepaald door vraag en aanbod? Als je de prijs probeert te regelen creëer te toch altijd schaarste of overaanbod? Bij een opgelegde te lage prijs bieden de producenten een lagere hoeveelheid aan dan er vraag naar is= werkloosheid.
Bij een opgelegde te hoge prijs onderbieden de producenten elkaar= zwart werk.
Zijn alle sociale problemen onderaan de arbeidsmarkt niet het gevolg van een opgedreven prijs van die lonen door vakbonden en sociale wetgeving? Waardoor er meer mensen zich aanbieden voor deze laagwaardige jobs(mini-jobs) dan dat er zulke jobs beschikbaar zijn? Zet dat de deur niet open naar een slechte behandeling van die mensen? Er zijn er toch nog genoeg die hen willen vervangen?
Moeten we het niet over een radicaal andere boeg gaan gooien? Moeten we de lonen niet volledig vrij laten, ook onderaan de arbeidsmarkt? Moeten we niet op een andere manier de working poor bestrijden? Moeten we niet beter gewoon aanvaarden dat er altijd mensen zullen zijn die graag simpele kleine jobs zullen doen (denk aan de trend van hooggeschoolde Japanse jongeren die in hamburgertenten enz... ging gaan werken). Kunnen we de mensen niet beter een basisinkomen geven die weliswaar niet kan volstaan om gewoon rond te komen. Maar ze kunnen dan zelf door laagwaardige jobs te aanvaarden gemakkelijk boven de armoedegrens uitstijgen, zelfs in het meest nadelige scenario. Ik denk dat we daarvoor het best kijken naar ontwikkelde landen zoals het VK en de VS waar de arbeidsmarkt behoorlijk vrij is en er jammer genoeg working poor bestaat. Dat we vanuit die landen een inschatting maken van hoeveel het allerlaagste loon is en hoeveel er nodig is om boven de armoede grens uit te stijgen.
Ook lossen we zo het kat- en muisspel tussen de overheid en de werklozen die telkens moeten controleren of de werkloze wel voldoende moeite doet om werk te zoeken. Volgens loopt de overheid altijd achter de feiten aan. Er heerst namelijk een belangenconflict. De overheid moet namelijk bepalen of iemand werkwillig is. Maar dat valt op geen enkele objectieve manier vast te stellen. Het systeem van een basisinkomen is simpel en duidelijk. Het is gelijk voor iedereen en zal een groot deel van ontevreden linkse kiezers die nu op rechts stemmen omdat ze de oude links recepten beu zijn. Ze zien net hoe gemakkelijk ze er zelf kunnen van profiteren en stellen zich de vraag hoeveel andere mensen er dan wel nog niet nog veel harder van moeten profiteren.
Working poor is dus opgelost. Het systeem is waterdicht, de overheid moet immers niet controleren. Het systeem steunt op volledige tewerkstelling. In tijden van economische crisis moet er werk gemaakt worden van 'labour hoarding' maatregelen of extra bijstand verleend worden.
In feite versterkt het basisinkomen de progressiviteit van het belastingstelsel, met behulp van een negatieve belasting (of subsidie) op de onderste schijven. Ik denk dat de personenbelasting de enigste efficiënte belasting is om ongelijkheid en armoede te bestrijden. Regulering in de arbeidsmarkt zorgt enkel maar voor economische anomaliën. Bijvoorbeeld France Telecom: staastbedrijf wordt privébedrijf. Werknemers behouden goed beschermd contract. De economische prikkel bestaat er om mensen te ontslaan. Doordat er niet op een ordentelijke manier tot ontslag kan worden overgegaan, besluit de directie maar om zijn eigen werknemers buiten te pesten. Met zelfmoorden tot gevolg. Een ander voorbeeld van een economische anomalie ten gevolge van ondoordachte regelgeving Delta Loyd: mooi hoor regeltjes ter bescherming van de minder bedeelde klanten. Nu is de bank helemaal ontoegankelijk voor minder fortuinlijke klanten.
De staat kan niet alles controleren. Het is beter om te roeien met de riemen die echt werken en voor de rest te zorgen dat ieders eigenbelang samenloopt met het algemeen belang. Maar echt waar met regeltjes en controle gaan we er niet geraken. De mensen, zelfs diegenen die het het meest nodig hebben, zijn het BEU. Ik hoor arme mensen ook zeggen: indien ze het geld hebben, ze het zeker niet in België zouden beleggen. Maar eerder in India of China waar de mensen goedkoper zijn. De mensen begrijpen heus de economische realiteit wel en vragen daar ook een verstandig antwoord op een geen ontkennend antwoord alsof we hier op een politiek correct eilandje leven. De tijd dat we in een strijd tussen proletariaat en patronaat, tussen kapitalisten en arbeiders is voorbij. Harde vakbondswerking is van een ander tijdperk. HR regelt bij ons de lonen, niet de vakbonden. Logisch toch? Een aantrekkelijk een loon dient immers om een competente werknemers aan te trekken en om huidige werknemers niet te doen vertrekken. Dat is toch het domein van HR? Niet van de insiders (vakbond, verwijzend naar de insider-outsidertheorie)?
Tegenwoordig zijn we inderdaad allemaal een beetje kapitalist geworden. Heel de middenklasse moet zich zowel zorgen maken om een goede job en denken aan zijn spaarcenten.