Wat de partijvoorzitters niet kunnen, kunnen de sociale partners wel: akkoorden sluiten. Na twee maanden onderhandelen kwam er gisteren witte rook uit de onderhandelingskamer van de groep van tien. De grote contouren van het akkoord zijn duidelijk, de details moeten nog ingevuld worden. Het nieuwe IPA is een moedig akkoord met eten en drinken voor velen, maar toch zijn er potentiële valkuilen.
Laten we beginnen met het ‘BHV van de sociale partners’ en de grootste ‘doorbraak’: het eenheidsstatuut. Het akkoord voorziet duidelijk niet in een ‘eenheidsstatuut’, maar in een convergentie van de twee statuten over de komende jaren. De opzegtermijnen van arbeiders en bedienden convergeren naar de regeling voor de lagere bedienden: 3 maanden opzeg per begonnen schijf van 5 jaar. Hierbij leveren de hogere bedienden in op hun riante opzeg en gaan de arbeiders er met grote stappen op vooruit. Het duurt echter nog tot na 2017 voor beide systemen op gelijke voet zullen staan. Om dit systeem betaalbaar te houden voor de werkgevers wordt gekeken naar de overheid om inspanningen te doen en een stuk van de opzegvergoeding fiscaal minder te belasten. De ‘carensdag’ (voor arbeiders wordt de eerste dag ziekte in principe niet uitbetaald) wordt afgeschaft voor de arbeiders, het vakantiegeld gelijkgesteld en de tijdelijke werkloosheid wordt definitief. Het eenheidsstatuut is dus nog niet voor morgen, maar er is een belangrijke stap in de goede richting gezet. Het succes van deze stap lijkt wel afhankelijk te zijn van de wil van de overheid om inspanningen te doen, en het is misschien daar dat het schoentje zal knellen. De afspraak is dat er een eindakkoord is tegen eind 2012. Zonder inspanning van de overheid lijkt dit een moeilijk te halen deadline, het risico op eindeloze onderhandelingen en een BHV-scenario is dus nog niet uitgesloten.
De lonen vormen het tweede grote thema van het akkoord. Volgens de sociale partners zal er niet geraakt worden aan de index, er zal enkel een studie gemaakt worden over de opportuniteit om het systeem te veranderen en eventueel energieprijzen uit de index te halen. Zo’n studie kan de index in een later stadium ter discussie stellen en kan leiden tot een nog beperktere ‘gezondheidsindex’. De sociale partners moeten echter vooral oog hebben voor de oorzaken van de recente indexsprongen (2007/2008), namelijk de stijgende energieprijzen. Er mag dus niet enkel aan symptoombestrijding worden gedaan.
Naast het behoud van de index is er voor de komende twee jaar bijna geen marge voor loonsstijgingen. In 2011 al helemaal niet en in 2012 een marge van 0.3%, op voorwaarde dat de economische situatie het toelaat. De Belgische sociale partners gaan dus niet voor een radicale loonmatiging, maar zwichten toch onder de Duitse druk. Dit akkoord is enerzijds moedig en evenwichtig, het zal een stuk werkgelegenheid bestendigen maar daarnaast niet te veel raken aan de welvaart en de koopkracht van de consument, maar anderzijds breng het enkele risico’s met zich mee. Loonmatiging treft namelijk vooral de onderzijde van de arbeidsmarkt, vergroot de ongelijkheid en kan leiden tot een internationaal opbod. De ogen moeten de volgende jaren gericht zijn op de hogere lonen, het kan niet zo zijn dat enkel de onderzijde van de arbeidsmarkt inspanningen doet en de hogere lonen verder stijgen, de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Daarnaast mogen we zeker niet meegaan in een internationaal opbod van loonmatiging. De voordelen die men haalt uit loonmatiging (in termen van ‘concurrentiekracht’), haalt men namelijk ten koste van de landen die hun lonen niet matigen. Een internationale neerwaartse spiraal moet te allen tijde vermeden worden.
Ook de uitkeringen worden behandeld in het akkoord. Net zoals twee jaar geleden, worden de sociale minima (bijv. minimumpensioenen) met 2% verhoogd en de andere uitkeringen stijgen met 0.7%, bedoeld om deze welvaartsvast te maken. Deze beperkte verhogingen zijn goed, maar zijn tegelijkertijd ontoereikend. Heel veel Belgische uitkeringen bevinden zich nu immers onder de Europese armoedegrens (899 euro voor een alleenstaande).
Kortom, de sociale partners hebben zich moedig getoond in moeilijke tijden. Er is een akkoord dat een grote stap voorwaarts zet richting een eenheidsstatuut en probeert de middenweg te kiezen in het debat over loonmatiging. Ze tonen aan dat akkoorden sluiten bekent dat beide partijen water bij de wijn moeten doen en naar oplossingen moeten streven. Er zijn wel enkele risico’s verbonden aan dit akkoord. Ten eerste kan het een lege doos blijken als de overheid geen inspanningen wil/kan leveren en ten tweede kan loonmatiging tot meer sociale ongelijkheid leiden. Het eerste risico is moeilijk in te schatten en het tweede hangt deels af van de economische ontwikkelingen de volgende jaren, maar vooral van de vakbonden en de werknemers die niet mogen akkoord gaan met een beleid waar de inspanningen enkel komen van de zwakste schouders.
Deze tekst verscheen eerder als opiniebijdrage op De Redactie.