Vandaag betogen Europese vakbonden in Brussel tegen de crisisplannen van Europa. U vernam daarover in onze pers vooral dat u vandaag beter wegblijft uit Brussel. Nochtans zijn er vele goede redenen waarom u vandaag net wel naar Brussel had moeten trekken, om mee te betogen. Diegenen die zich moeten bezinnen zijn niet de pendelaars naar Brussel, maar de Europese politici.
Welke crisis?
Op de Europese Raadstop van vandaag en morgen had eerst en vooral een uitbreiding van het Europese reddingsfonds op het programma moeten staan. Er heerst consensus dat dit nodig is om snel te kunnen ingrijpen indien Spanje of Italië in de problemen zouden komen. En aangezien financiële markten werken volgens het principe van de ‘zelfvervullende verwachting’ is dat ook nodig om net te vermijden dat deze grote eurolanden in het vizier van de financiële gieren komen. Maar de val van de Portugese regering en een ontslagnemende Finse regering met populistische partijen op de loer kunnen roet in het eten gooien.
Om dat fonds uit te breiden moeten de ‘gezonde eurolanden’, in de praktijk vooral Duitsland, hun garanties gevoelig uitbreiden. De leiders van deze landen, zoals bondskanselier Merkel, menen dat ze dit niet aan hun kiezers verkocht krijgen tenzij ze hen kunnen vertellen dat de ontvangende landen bereid zijn offers te maken. Daarom moet de uitbreiding van het fonds gepaard gaan met een pact waarin de eurolanden zich bereid verklaren tot besparingen en afbouw van de sociale bescherming in de komende jaren. Volgens de huidige Europese politieke elite is dat trouwens het nuttige aan het noodzakelijke koppelen: Europa heeft nood aan zulke hervormingen om opnieuw te kunnen groeien en bloeien, zo menen zij.
Iemand die nu uit een lange coma (van een jaar of twee) zou ontwaken moet vast en zeker denken: ‘tiens, was ik niet op mijn hoofd gevallen tijdens een bankencrisis?’. Zij die al lang een afbouw van Europese welvaartssystemen bepleiten zijn er echter in geslaagd, daarin geholpen door de aanval van de financiële markten op landen als Griekenland, om deze crisis te herverpakken als een fiscale crisis.
Een Unie bouw je niet op concurrentie
Wat wel klopt is dat de eurozone meer sociaaleconomische coördinatie nodig heeft. Een gemeenschappelijke munt heeft verregaande economische samenwerking nodig om te vermijden dat ‘onverantwoordelijk’ begrotings- en economisch beleid de gemeenschappelijke munt in gevaar brengt. Maar een eenheidsmunt heeft ook gemeenschappelijk sociaal beleid nodig om te vermijden dat een vrije markt waar gemakkelijk met dezelfde munt kan worden betaald leidt tot ‘de wet van de asociaalste’. De euro heeft dus twee keerzijden, een economische en sociale. De plannen die nu voor liggen focussen maar op één constructiefout van de muntunie.
De huidige politieke elite lijkt niet te beseffen dat een Unie gebouwd op concurrentie een contradictio in terminis is. Het pact dat nu voor ligt dreigt het Europese integratieproject te ondergraven. Europa dreigt de komende jaren vereenzelvigd te worden met sociale afbraak, zeker in de perifere landen. Maar ook in de surpluslanden, waar de bevolking niet begrijpt waarom zij de portefeuille moeten opentrekken voor het redden van landen die blijkbaar onverantwoordelijk zijn geweest, en voor het behoud van een munt die zo te zien alleen maar nadelen met zich meebrengt. Finland is slechts het meest recente voorbeeld van een land waar de bevolking dit niet meer snapt en aanvaardt en naar eurosceptische partijen lonkt.
Pact voor competitiviteit? Pact voor de euro?
Het zijn onze politici zelf die zulke eurosceptische sentimenten opwekken door hun discours. Als je sociale afbraak tracht te legitimeren als een noodzaak om de euro te redden, is het dan niet logisch dat de burger zich tegen deze munt zal keren? Als je tot in den treure blijft herhalen dat langer werken voor minder geld nodig is om de competitiviteit van de natie in Europa, en van Europa in de wereld, te redden, kan je dan anders verwachten dan dat de publieke opinie zich tegen Europese integratie en globalisering kant?
Competitiviteit en de euro zijn politieke middelen, geen doelstellingen, dat lijken onze politici te vergeten. Burgers verwachten van politici toch niet dat ze ‘competitiever’ worden gemaakt. Noch is hun eerste politieke prioriteit kunnen betalen met een munt met de kop van een naburige koning op. Kiezers verwachten sociale bescherming, een gezond leefmilieu, werkgelegenheid, et cetera waartoe een Europees industrieel beleid, sociaal beleid, een gemeenschappelijke munt enzovoort nuttig kunnen zijn in een geglobaliseerde wereld.
Alle hoop op de vakbonden
Eerder dan de Europese toppolitici in de Wetstraat zijn het dus de vakbonden die in Brussel richting Wetstraat trekken die de Unie weer op het juiste spoor kunnen zetten. Zij benadrukken terecht dat een Unie slechts kan worden gebouwd op solidariteit.
Dit blogstuk is op 24 maart 2011 verschenen op deredactie.be