Volgens de huidige begrotingsopmaak van Di Rupo I worden de dienstencheques in 2013 een euro duurder gemaakt. Dit blogstuk argumenteert dat de begroting op dit vlak een gemiste kans is om twee redenen. Ten eerste hadden ze beter de fiscale aftrek verminderd of afgeschaft in plaats van de dienstencheques zelf duurder te maken. Ten tweede mocht er ook iets gedaan worden om de situatie van de dienstencheque-werknemers structureel te verbeteren.
Dienstencheques = dure subsidies voor huishoudelijk werk
Voor de begroting van 2012 moet er 10 à 11 miljard euro gevonden worden om het begrotingstekort onder de 3% van het BNP terug te brengen. Er wordt dan ook al snel gekeken naar de dienstencheques om een deel van dit geld te vinden. Volgens berekeningen van Pacolet was de brutokostprijs voor de overheid van het systeem van dienstencheques in 2010 ongeveer 2.2 miljard euro. Ondanks de aanzienlijke terugverdieneffecten door verminderde werkloosheidsuitkeringen en meerontvangsten via sociale bijdragen en bedrijfsvoorheffing, blijft dit een serieuze budgettaire inspanning voor de overheid.
Een dienstencheque kost de gebruiker 7.50 euro en na de fiscale aftrek slechts 5.25 euro. Dezelfde dienstencheque kost de overheid 15.9352 euro: 2.25 euro gaat naar de gebruiker via de fiscale aftrek, 13.60 euro gaat naar de erkende dienstencheque-onderneming, en 0.08252 euro gaat naar het uitgiftebedrijf Sodexho voor de verwerkingskosten. De erkende dienstencheque-onderneming krijgt in totaal 21.10 euro: 13.60 euro van de overheid en 7,50 euro van de gebruiker.
Dienstencheques worden duurder
Volgens het laatste begrotingsvoorstel zouden dienstencheques in 2013 een euro duurder worden voor de gebruiker: de kostprijs zal stijgen van 7.50 naar 8.50 euro. Nadien zal de prijs geïndexeerd worden. De dienstencheques blijven wel fiscaal aftrekbaar.
Het duurder maken van dienstencheques is eigenlijk iets dat al veel vroeger moest gebeuren. Zoals Frank Vandenbroucke reeds eerder opmerkte, waren de subsidies voor dienstencheques goed om het systeem initieel te stimuleren, maar mogen deze (nu het systeem op volle toeren draait) afgebouwd worden. Bovendien kan men zich de vraag stellen of deze subsidies niet beter gebruikt kunnen worden in andere sectoren met veel laaggeschoolde arbeid dan de sector van het huishoudelijke werk. Nu betekenen de dienstencheques immers concurrentievervalsing voor de non-profit sector (zie hiervoor ook de nota van Pacolet).
Een vaakgehoorde kritiek op het duurder maken van de dienstencheques is dat ze hierdoor minder gebruikt zullen worden met minder dienstencheque-tewerkstelling en meer zwartwerk tot gevolg. In dit verband verwijs ik graag naar de laatste prijsstijging. Hoewel op 1 januari 2009 de prijs van dienstencheques steeg van 7 euro naar 7.5 euro, bleven het aantal actieve gebruikers spectaculair toenemen (ondanks de economische crisis). Enkel het gemiddeld aantal gekochte dienstencheques per gebruiker daalde lichtjes in 2009 om vervolgens terug te stijgen in 2010. Tot een bepaalde prijs blijft het voor gebruikers dus voordelig om met dienstencheques te werken. Zwartwerk kost immers nog steeds pakken meer.
De manier waarop is het probleem
Het probleem is dus niet dat dienstencheques duurder zullen worden voor de gebruikers. Het probleem is de manier waarop dit gedaan wordt. Momenteel kan men per cheque 2.25 euro fiscaal aftrekken tot een totaal fiscaal aftrekbare bedrag van 2510 euro per gebruiker (resulterend in belastingsvermindering van 768 euro per gebruiker)). Dit is het equivalente van ca. 335 uren per gebruiker of 670 uren voor een gezin met twee werkenden. Het zou echter om drie redenen beter geweest zijn om de fiscale aftrek van dienstencheques te verminderen of af te schaffen in de plaats van dienstencheques zelf duurder te maken.
Ten eerste hebben mensen die meer verdienen een grotere belastbare basis en kunnen ze bijgevolg meer dienstencheques fiscaal aftrekken. Sinds aanslagjaar 2009 kunnen gebruikers met een te laag inkomen of een vervangingsinkomen echter genieten van een ‘terugbetaalbaar belastingskrediet’. Hierbij wordt datgene van de dienstencheques dat een gebruiker niet heeft kunnen inbrengen omdat zijn belastbare basis te klein is, toch naar hem/haar doorgestort. Dit is op zich een sociaal rechtvaardige maatregel. De vraag is natuurlijk hoeveel lage inkomens van dit fiscale voordeel op de hoogte te zijn en er bijgevolg gebruik van maken?
Ten tweede kunnen eenoudergezinnen minder profiteren van de fiscale aftrek dan gezinnen met twee werkende ouders. Deze laatste kunnen immers dubbel zoveel dienstencheques aftrekken.[1] Eén van de doelstelling bij het invoeren van dienstencheques was om de combinatie arbeid en gezin te vergemakkelijken. Laat nu net eenoudergezinnen het meest geconfronteerd worden met deze combinatiedruk.
Last but not least, compliceert de fiscale aftrek de zaken voor zowel de fiscus als de belastingsbetaler. De aftrek is dus ook een extra administratieve last.
Idealiter schaft men de fiscale aftrek voor dienstencheques dus af, maar men zou kunnen beginnen met de aftrek te beperken, zowel het bedrag per dienstencheque als het totaal fiscaal aftrekbare bedrag.
Daartegenover staat natuurlijk dat het duurder maken van de dienstencheques zelf onmiddellijk geld in het overheidslaatje brengt, terwijl het verminderen of het afschaffen van de fiscale aftrek pas na twee jaar een budgettair effect zou genereren.
Verbeter structureel het statuut van de werknemers
In de loop van 2009 waren 120324 werknemers tewerkgesteld met dienstencheques. Uit het laatste evaluatieverslag van de dienstencheques blijkt dat 80.7% van hun contracten van bepaalde duur waren. Dienstencheque-werknemers hebben gemiddeld 5 contracten per jaar. Dat arbeidsregime zorgt voor veel werkonzekerheid. Er zijn bovendien aanzienlijke verschillen tussen de dienstencheque-ondernemingen. Non-profit en publieke ondernemingen bieden gemiddeld 1.3 contracten per jaar aan hun dienstenchequers aan (dus heel veel contracten van onbepaalde duur), terwijl interimbedrijven gemiddeld 12.8 contracten per jaar aanbieden.
Eerder zagen we dat dienstencheque-ondernemingen per dienstencheque 13.60 euro van de overheid kregen (bovenop de 7.5 euro van de gebruiker). Het lijkt me niet onmogelijk om deze subsidie afhankelijk te maken van het statuut van de werknemer. De overheid zou voor dienstencheques voor werknemers met een contract van bepaalde duur minder kunnen betalen. Voor de gebruiker zal er hierbij niets veranderen (de dienstencheques blijven even duur en dus voordeliger ten opzichte van zwartwerk). Voor de bedrijven worden dienstenchequers met contracten van bepaalde duur relatief duurder dan dienstenchequers met contracten van onbepaalde duur. Dit zou op termijn tot meer dienstencheque-werknemers met een contract van onbepaalde duur leiden. Bovendien wordt er op die manier ook bespaard.
Besluit
Het is gerechtvaardigd om een deel van de besparingen te zoeken bij het systeem van de dienstencheques. Maar maak van de dwingende noodzaak een opportuniteit om een aantal sociaal correcties door te voeren: “never waste a good crisis”. In de plaats van de dienstencheques voor iedereen duurder te maken, is het socialer om de fiscale aftrek te verminderen of af te schaffen. Bovendient levert dit een administratieve vereenvoudiging op. Daarnaast moet ook de gesubsidieerde sector van de dienstencheque-ondernemingen een duit in het zakje doen. Ondernemingen zouden minder subsidies kunnen krijgen voor dienstenchequers met een contract van bepaalde duur dan deze met een contract van onbepaalde duur. Dit is zowel goed voor het begrotingsevenwicht als voor de werknemers.
[1] Navraag bij het Contactcenter van de FOD Financiën leert me dat ook wettelijk samenwonenden en wettelijk getrouwde koppels met een gemeenschappelijke belastingsaangifte dubbel zoveel dienstencheques fiscaal kunnen aftrekken. Zij kunnen samen voor een maximaal bedrag van 5120 euro (2 x 2560 euro) dienstencheques inbrengen wat een maximale belastingsvermindering oplevert van 1536 euro (2 x 768 euro).
