Op de Europese top van 24 en 25 maart werd het Europact definitief goedgekeurd. Op hetzelfde moment hielden de Europese vakbonden een grote manifestatie voor socialer Europa. Het wordt dan ook hoogtijd om de Europese economische plannen eens onder de loep te nemen. We onderscheiden drie pijlers van de nieuwe Europese strategie: 1/ het ‘Europees semester’, 2/ de aanscherping van het Groei- en Stabiliteitspact en 3/ het Pact voor de Euro[1]. We formuleren verschillende kritieken, zowel vanuit sociaal als vanuit economische oogpunt. Ten slotte zijn er ook bedenkingen mogelijk op het vlak van democratische legitimiteit.
Nood aan meer ‘economische coördinatie’
Het Europact vindt zijn oorsprong in de schuldenproblematiek van eurolanden als Griekenland, Ierland en Portugal. Duitsland grijpt deze ‘fiscale crisis’ aan om Europa meer greep te laten krijgen op de begrotingen van de lidstaten. De dominante analyse hierbij is tweeërlei. Allereerst zou er, volgens deze redenering, sprake zijn van ‘moral hazard’. Aangezien speculatie tegen hun munt niet langer mogelijk is, kunnen de zuiderse landen ‘ongestraft’ schulden maken. Ten tweede zou de recente eurocrisis verband houden met divergenties binnen de eurozone. Kort samengevat komt het erop neer dat de zuiderse landen te weinig exporteren, lees te weinig ‘competitief’ zijn. Voor de eerste kwaal wordt een aanscherping van de begrotingsregels voorgesteld, om economische divergenties tegen te gaan moet een Pact voor de Euro de competitiviteit van de hele eurozone aanzwengelen.
Het ‘Europees semester’ en de verscherpte begrotingsregels
De eerste pijler van de nieuwe Europese strategie bestaat uit een strenger toezicht op de nationale begrotingen van de lidstaten. In april moeten de lidstaten hun begrotingen voorleggen aan de Europese Commissie, en dat vooraleer de nationale parlementen er zich kunnen over uitspreken (!). Daarnaast zal men nauwer toezien op de naleving van het Groei- en Stabiliteitspact. Bij de invoering van de euro heeft men besloten dat nationale begrotingen slechts een tekort mogen vertonen van 3% van het BNP en dat de overheidsschuld onder de 60% moet dalen. In de toekomst zullen deze regels worden afgedwongen met sancties[2]. Op een bepaald ogenblik was er zelfs sprake van het (tijdelijk) intrekken van het stemrecht in de Raad.
Het Pact voor de Euro
Op een recente bijeenkomst van de eurolanden zag het Europact het licht. Dit pact zou economische divergenties binnen de eurozone moeten tegengaan. Op vier deelgebieden zullen de prestaties van de Europese landen worden beoordeeld. Het wordt meteen duidelijk dat Europa zijn actieterrein sterk uitbreidt en dat voortaan ook lonen en sociale zekerheid door Europa zullen worden beïnvloed. Zo zal, allereerst, de evolutie van de loonkost in de verschillende landen onder de loep genomen worden. Voor verschillende sectoren zullen de lonen in kaart gebracht worden. Het is vooral opmerkelijk dat er een overbenadrukking lijkt te zijn van de loonkost. Andere aspecten van competitiviteit, zoals onderzoek en innovatie, worden ook vermeld, maar krijgen slechts een tweederangsrol toebedeeld.
Daarnaast wil Europa de werkgelegenheid bevorderen, met specifieke aandacht voor jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid. De EU ziet duidelijk de ‘flexicurity’-aanpak als meest geschikt, wat onder meer een meer ‘soepele’ ontslagbescherming inhoudt. Vervolgens wordt een rubriek gewijd aan duurzame overheidsfinanciën. Ook hier brengt Europa een duidelijke boodschap: langer werker en een afbouw van vroegtijdige uittredingsmechanismen. Men stelt voor om de pensioenleeftijd te koppelen aan de levensverwachting. Ten slotte wordt er ook gepleit voor meer stabiliteit in de bancaire sector door de banken te onderwerpen aan stresstests.
Mag er nog debat zijn aub?
De Europese plannen lezen als een doorslagje van het verkiezingsprogramma van een centrumrechtse partij en lijken sterk beïnvloed door het recent Duits ‘werkgelegenheidswonder’. Hoewel meer Europese coördinatie onvermijdelijk lijkt, zijn er toch grote bedenkingen te plaatsen bij de Europese voorstellen. Zowel op sociaal, economisch als democratisch vlak stuiten de Europese plannen op de grenzen van het aanvaardbare.
Vanuit sociaal oogpunt kunnen verschillende vraagtekens worden geplaatst. Hoe zal deze strategie zich verhouden ten opzichte van de sociale doelstellingen van EU2020? Op welke manier zijn de strategieën compatibel met een vermindering van de armoede? Daarover wordt met geen woord gerept. Het Duitse ‘werkgelegenheidswonder’ toont hierbij zeker niet de goede weg. Sinds 2005 gaat de Duitse armoede immers, mede als gevolg van de arbeidsmarkthervormingen, in stijgende lijn[3]. Daarnaast kunnen ook legitieme vraagtekens geplaatst worden bij de concrete sociale beleidsrecepten die naar voor geschoven worden. Werkt ‘flexicurity’ immers in alle landen even goed?
Kijken we vervolgens naar de economische rationaliteit. De kritiek op de plannen is tweeërlei. Allereerst, maakt het aanscherpen van het Groei- en Stabiliteitspact een contracyclisch beleid zo goed als onmogelijk[4]. De begrotingsdoelstellingen worden vooropgesteld zonder rekening te houden met de economische conjunctuur. Hierdoor wordt het voor overheden veel moeilijker om in tijden van crisis hun ‘automatische stabilisatoren’[5] te laten werken om op die manier de crisis op te vangen. Ten tweede vertrekken de Europese plannen vanuit een verkeerde analyse en lijkt het evenwicht zoek. De huidige crisis is immers niet het gevolg van publieke schulden, maar van private bancaire schulden die werden genationaliseerd. Er moet dan ook meer aandacht worden besteed aan het structureel gezond maken van het financieel stelsel. Men krijgt meer en meer de indruk dat de banken in deze de dans ontspringen.
Een fundamentele kritiek is echter de vraag naar democratische legitimiteit. De Europese plannen beperken sterk de speelruimte van nationale staten en bevordert het pensée unique op socio-economisch gebied. Dat dreigt de Europese legitimiteit verder te verzwakken. Democratisch verkozen nationale regeringen worden immers sterk beperkt in hun handelingsvrijheid door het Europees niveau, waarop relatief weinig democratische controle bestaat. Bij zowel nationale als Europese verkiezingen spelen Europese beleidsthema’s immers slechts een marginale rol. Het Europact raakt bijgevolg aan de grenzen van de democratie. Mogen nationale staten nog hun eigen keuzes maken? Bestaan er andere opties om de vergrijzing op te vangen? Wat met het maatschappelijke belang van jobzekerheid? Blijft er nog ruimte voor contracyclisch beleid om crises op te vangen? Kortom, beste Europa, mag er nog politiek debat zijn aub?
[1] Voor meer info zie onder meer: http://www.corporateeurope.org/lobbycracy/content/2011/01/corporate-eutopia
[2] Er is sprake van financiële sancties van 0,2% van het bruto-nationaal product.
[3] In Duitsland is sinds 2005 zowel de werkende armoede, als de armoede onder uitkeringstrekkers aan het stijgen (Bron: Eurostat). Voor cijfers over werkende armoede zie: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tsdsc320&plugin=0
Voor Duitse werklozen is het armoederisicopercentage gestegen van ongeveer 40% tot over de 60%. Zie:
[4] Een contracyclisch begrotingsbeleid houdt in dat landen vooral geld uitgeven in moeilijke economische tijden om de economische conjunctuur proberen tegen te gaan. Voor meer info zie: http://poliargus.be/open/article/het-streven-naar-het-begrotingsevenwicht-een-dogma
[5] ‘Automatische stabilisatoren’ zijn overheidsuitgaven die automatisch de economische conjunctuur stabiliseren. Een modelvoorbeeld hierbij zijn de werkloosheidsuitkeringen. In slechte economische tijden zijn er meer werklozen en zullen de overheidsfinanciën onder druk komen te staan. Daartegenover staat dan ook dat werkloosheidsuitkeringen de koopkracht van de mensen op peil houden en op die manier de crisis helpen opvangen.