Boek. De Ridder K. (2010). De witte media.

In haar boek ‘De witte media’ onderzoekt Katleen De Ridder hoe etnische minderheden in de Vlaamse media afgebeeld worden. Dat is een zeer relevante vraagstelling, aangezien nieuwsmedia erg bepalend zijn voor het denkkader van de publieke opinie over etnische minderheden. Met haar historische en antropologische universitaire achtergrond en pakken werkervaring bij het Afrika-museum in Tervuren en het Minderhedenforum is Katleen De Ridder zeker een geschikte persoon om deze vraag te onderzoeken. De grote sterktes van het boek zijn dat het enerzijds zeer concreet de vinger op de wonde legt en anderzijds vanuit buitenlandse voorbeelden ook oplossingen aanreikt. Het onderzoek komt tot twee grote bevindingen. 

Ten eerste blijken etnische minderheden zowel voor als achter de schermen ondervertegenwoordigd te zijn. Het personeelsbestand van de media is amper gediversifieerd (amper 1% van het personeel is etnisch divers) en op de hogere echelons zijn etnische minderheden op enkele uitzonderingen na volledig afwezig. Gekleurde mensen zijn ook ondervertegenwoordigd op de beeldbuis. De non-fictie (inclusief buitenlandse berichtgeving) doet het anno 2007 met 10,9% kwantitatief relatief goed. In de amusementsprogramma’s komen etnische minderheden echter veel minder in beeld.

Wat de VRT specifiek betreft, is de balans dubbel. Enerzijds engageerde de VRT zich door expliciete streefcijfers voor een meer gekleurd personeelsbestand. Succesvol waren ook de bezoldigde stages bij de omroep voor allochtone Vlamingen (georganiseerd naar het voorbeeld van de BBC). Van de 24 allochtone stagairs werkten er na de stage vier voort bij de publieke omroep, twee op vaste basis bij andere media, en een handvol als freelancer voor de geschreven of visuele pers. Anderzijds oogt het resultaat maar magertjes. Alle goede bedoelingen ten spijt ligt het percentage etnisch diverse personeelsleden bij de VRT slechts tussen 0,9% en 2,2%.

De oorzaak van dit magere resultaat zoekt De Ridder bij de oprichting van de diversiteitscel. Deze cel moet waken over de diversiteit voor en achter de schermen, maar heeft in de praktijk nauwelijks macht. Op die manier is het diversifiëringsproces quasi volledig afhankelijk van de goodwill van de CEO. Terwijl Tony Mary (2002-2006) dit proces nog hoogstpersoonlijk bewaakte, zag zijn opvolger Dirk Wauters (2006-2009) dit over het hoofd. De verantwoordelijkheid voor de diversiteit zou dus meer verankerd moeten worden aan de top.

De tweede algemene bevinding is dat de Vlaamse pers ook inhoudelijk weinig divers is. De kritiek is dat allochtonen als een homogene groep (vaak negatief) afgeschilderd worden. Er is nauwelijks ruimte om de gigantische diversiteit aan etnische stemmen aan bod te laten komen. Het discours blijft steken in dé allochtone crimineel, dé moslimfundamentalist. Uit een onderzoek van Frieda Saeys en Marc Lits van 2006 blijkt bijvoorbeeld dat het geschreven nieuws en het televisienieuws over etnische minderheden in respectievelijk één derde en de helft van de gevallen in verband gebracht werd met criminaliteit. Zo wordt er een ‘media-allochtoon’ gecreëerd, die nog maar weinig te maken heeft met de etnisch diverse realiteit.

In haar boek pleit De Ridder dan ook voor ‘interculturele berichtgeving’. Het punt hierbij is niet dat bepaalde onderwerpen vermeden moeten worden, maar dat ze vanuit verschillende gezichtpunten bekeken moeten worden. Zet bij een discussie over het hoofddoekenverbond op scholen bijvoorbeeld niet enkel een blanke Vlaamse filosoof tegenover een orthodoxe imam, maar geef ook het woord aan een geseculariseerde allochtoon, een moslimmeisje dat bewust en positief voor de hoofddoek kiest, en een streng-katholieke directrice. Toon met andere woorden de diversiteit aan stemmen binnen de allochtone gemeenschap(pen).

De oorzaak van de huidige eenzijdige informatieverstrekking zoekt De Ridder onder meer bij de teloorgang van de redactievergadering en het gebrek aan dossierkennis en sociale netwerken. De redactievergadering was lange tijd de plaats bij uitstek waar er gediscussieerd werd over de verschillende brillen waardoor de actualiteit beschouwd konden worden. Vandaag de dag wordt de redactievergadering echter nauwelijks nog bijgewoond door journalisten en beperkt ze zich tot de kring van hoofdredacteurs en redactiechefs. Daarnaast krijgen journalisten ook nauwelijks nog de kans om zich te verdiepen in een thema. Laat nu net de interculturele thema’s een zeer complexe materie zijn waar er een veelvoud van stemmen en posities zijn. Deze complexiteit vereist een gedegen dossierkennis en een uitgebreid intercultureel netwerk om het debat te kunnen weergeven.

De oorzaken van de eenzijdige informatieverstrekking liggen natuurlijk ook veel dieper. De cruciale vraag is wie de macht in Vlaanderen heeft om te bepalen wat nieuws is en wat niet, en hoe de zaken weergegeven worden. En belangrijker, wat aan de basis ligt van de huidige machtsonevenwichten? Het is jammer dat het boek deze grotere machtsvraag niet stelt. Door zo concreet de vinger op de wonde te leggen en specifieke aanbevelingen te doen, verliest De Ridder soms wat het ruimere plaatje uit het oog.

Net doordat De Ridder zowel kritiek geeft als oplossingen aanreikt, heeft het boek ook een soort open einde. Het debat over de etnisch-culturele berichtgeving is nog niet af en het kan nog alle kanten op. Het politieke niveau lijkt het boek echter wel serieus te nemen met een aantal maatregelen tot gevolg. Zo worden er zeer concrete streefcijfers in de nieuwe beheersovereenkomst opgenomen over het aandeel etnische minderheden zowel voor als achter de schermen. To be continued.