Boek. Dani Rodrik (2011). The Globalization Paradox: Why global markets, states, and democracy can’t coexist

Samen met onder anderen Nobelprijswinnaars voor economie Paul Krugman en Joseph Stiglitz is Harvard econoom Dani Rodrik één van de voornaamste critici van ongeremde globalisering en van hoe zijn collega’s daar over denken, schrijven en praten. In 1997 zorgde hij voor opschudding door ‘Has Globalization Gone Too Far?’ uit te brengen bij het globaliseringsminnende Institute for International Economics.

                                                                                                

Om dat meteen duidelijk te stellen: Rodrik is geen anti-globalist. Zijn positie kan niet beter worden samengevat dan door de titel van één van zijn bekendste wetenschappelijke artikels: ‘How to save globalization from its cheerleaders’. Volgens de auteur is globalisering veel te ver doorgeschoten. Het heeft bijgedragen tot meer ongelijkheid tussen de rijkste en armste landen en groepen binnen landen. Bovendien verhindert ‘hyperglobalisering’ overheden om tegemoet te komen aan verzuchtingen van hun burgers op het vlak van bijvoorbeeld sociale rechtvaardigheid, gezondheids- en milieubescherming. Maar globalisering is niet louter slecht, de eerste drie decennia na de tweede wereldoorlog hebben bewezen dat een beperkte globalisering die ten dienste staat van nationale staten voor een periode van ongekende welvaart kan zorgen. Nadien is, sinds de jaren tachtig van Tatcher en Reagan, globalisering een doel op zich geworden, in plaats van een middel tot een doel. Dat zorgt voor een legitimiteitscrisis van zowel democratieën als open economieën en het is die ongewenste tegenreactie die Rodrik wil vermijden.

Dat was reeds de boodschap van Rodrik in 1997. De geschiedenis sindsdien heeft hem in zijn overtuiging gesterkt. Kort na publicatie van zijn boek vond de Aziatische financiële crisis plaats. Een heropleving van de wereldeconomie in de jaren 2000 ging gepaard met groei van de ongelijkheid in geïndustrialiseerde landen. Dit werd door velen als een gevolg van globaliseringsfenomenen als outsourcing gezien, en de wrevel ten aanzien van globalisering groeide. De opkomst van China versterkte dit ongenoegen en de angst alleen maar verder. Bovendien bleek de groei in de jaren 2000 gebaseerd op zeepbellen die voor een belangrijk deel het gevolg waren van ongebalanceerde globalisering en door hun ontploffen ons met de ergste crisis in generaties hebben opgezadeld.

The globalization paradox kan dan ook op geen beter moment uitkomen. De vraag van 1997 is een antwoord geworden: hyperglobalisering, staten met politieke macht en democratie gaan niet samen. In de eerste hoofdstukken schetst Rodrik de geschiedenis van de globalisering sinds de ontdekking van overzeese gebieden. Daarin toont hij dat we al verschillende slingerbewegingen hebben gehad in het denken over en de toepassing van de regulering van de handel. Belangrijkste conclusie is dat de meest stabiele en welvarende periode die we hebben gekend de ‘gouden periode’ na de tweede wereldoorlog was. In deze periode werd de handel geliberaliseerd, maar niet het financieel kapitaal, en werd landen veel ruimte gelaten om af te wijken van de internationale liberaliseringsafspraken. Globalisering stond ten dienste van nationale politiek, en kon worden beperkt indien het in botsing kwam met nationale beleidsdoelstellingen. Dat veranderde sinds de jaren tachtig, toen vrijhandel een doelstelling op zich werd en het reguleren van de economie steeds meer door nationale politici uit handen werd gegeven. Onafhankelijke centrale banken, kapitaalliberalisering, vrijhandel in diensten en bescherming van intellectuele eigendomsrechten en van investeringen boven elke andere doelstelling werden in de jaren tachtig en negentig overal ingevoerd, op aanraden van de meeste vooraanstaande neoliberale economen van die tijd, als noodzakelijke en wenselijke hervormingen voor alle landen van de wereld, een gouden keurslijf voor iedereen.

De twee belangrijkste boodschappen van Rodrik zijn: de landen die sinds WOII het meest spectaculair zijn gegroeid en zo honderden miljoenen van hun burgers uit extreme armoede hebben gehesen zijn deze die zich niet aan de spelregels van hyperglobalisering hebben gehouden: de Oost-Aziatische landen met China op kop. Zij die wel nauwkeurig de voorschriften uit Washington hebben gevolgd werden snel met de negatieve gevolgen geconfronteerd, zie bijvoorbeeld Argentinië. In de westerse wereld ondermijnt globalisering afspraken die sinds het einde van de 19e eeuw en vooral de eerste decennia na WOII werden opgebouwd. Bijvoorbeeld wat betreft sociale bescherming. We hebben minimumlonen en arbeidsnormen om te vermijden dat werkgevers twee arbeiders tegen mekaar zouden kunnen uitspelen en deze mekaar onderbieden. Maar dankzij hyperglobalisering kan een werkgever dit nu wel tussen een binnenlandse en buitenlandse arbeider. Sociale bescherming die in het binnenland als de normaalste zaak van de wereld wordt geacht, wordt wanneer toepast tussen landen gebrandmerkt als ‘protectionisme’. De mogelijkheid van bedrijven om te dreigen te outsourcen is niet de enige manier waarop globalisering voor meer ongelijkheid zorgt. Hetzelfde mechanisme geldt voor de belasting van bedrijven, kapitaalwinsten en hoge inkomens. Dankzij het vrij verkeer van vooral kapitaal, maar ook goederen, investeringen en hooggeschoolde arbeid zijn staten verplicht de belastingen op deze te verlagen. Om te vermijden dat dit democratisch zou worden beperkt, wordt de beslissingsmacht over vele van deze zaken verplaatst weg van nationale politici. Nationale banken zijn onafhankelijk, liberalisering is vastgelegd binnen de WTO, et cetera.

Dat is het trilemma van globalisering, nationale staten en democratie. Je kan ze nooit alle drie tegelijkertijd hebben. Momenteel bevinden we ons op een punt waarbij hyperglobalisering de bewegingsvrijheid van overheden in nationale staten zodanig beperkt dat we eigenlijk in een schijndemocratie leven, waar onze politici nauwelijks nog greep hebben op de belangrijkste beslissingen over de economie. Dit biedt een verklaring voor de identiteitspolitiek en het succes van nationalistische partijen die in het westen overal opduikt, niet in het minst bij ons. Een oplossing die door sommigen naar voor wordt geschoven is global governance: democratie moet naar het mondiale niveau worden getild en daar de scherpste kantjes van de globalisering veilen. Maar dat is haalbaar noch wenselijk: landen, zeker in verschillende regio’s van de wereld, bevinden zich op zeer verschillende posities in hun ontwikkeling en hebben dergelijk grote verschillende preferenties dat mondiaal bestuur enkel tot regulering volgens de kleinst gemene deler zou kunnen leiden.

De oplossing die Rodrik naar voor schuift is dan ook om terug te keren naar een beperkte, slimme globalisering die ruimte laat voor nationale democratieën. Zulke bewegingsvrijheid heeft landen als China toegelaten razendsnel te groeien en de geïndustrialiseerde landen in de decennia na WOII om welvarende en relatief gelijke samenlevingen uit te bouwen. Uiteraard promoot de auteur geen perfecte replicatie van de toestand in de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw, maar een beperkte, slimme globalisering aangepast aan de 21e eeuw. De belangrijkste les van Rodrik is dat we landen opnieuw het recht en de mogelijkheid moeten geven om hun eigen sociale afspraken, maatregelen en instellingen te bepalen. Dat betekent dat handel terug een middel in plaats van een doel op zich moet worden, en moet kunnen worden beperkt wanneer het aantoonbaar binnenlandse beleidsdoelstellingen bedreigt die democratisch zijn tot stand gekomen. Zulk systeem zal globalisering zowel effectiever, efficiënter als meer legitiem maken. Als vrijhandel goed is voor iedereen en nog het meest voor het importerende land, zoals globaliseringsvoorstanders altijd zeggen, dan kan er niets op tegen zijn dat landen de vrijheid hebben om hun handel te reguleren, en moet de zaak voor liberalisering democratisch op nationaal niveau worden gewonnen. Beperking van de vrijhandel en vooral financiën kan bijdragen tot sociale cohesie, crises vermijden en binnenlandse groei bevorderen, en dat is zeker in het voordeel van iedereen.

Rodrik sluit zijn boek af met vier concrete voorstellen. Ten eerste moet het internationale handelsregime worden hervormd zodat het landen expliciet toegelaten is de handel te belemmeren indien dit nodig is om binnenlandse sociale, arbeids- of milieudoelstellingen of het eigen gekozen pad van ontwikkeling te bereiken. Ten tweede moeten de financiële markten worden beperkt om te vermijden dat de ruimte die staten via voorstel één op papier krijgen niet in de praktijk wordt tenietgedaan door de disciplinerende macht van ongebonden kapitaal. Een zeer beperkte taks van 0.1% op financiële transacties zou hiertoe bijdragen en ook tientallen miljarden euro’s opleveren die kunnen worden geïnvesteerd in het bestrijden van globale problemen als klimaatverandering of pandemieën. Een derde voorstel snoert de mond van diegenen die Rodrik zouden verwijten dat zijn visie via protectionisme de groei van opkomende en ontwikkelingslanden fnuikt. Terwijl verdere liberalisering via de Doha Ronde van de WTO slechts zeer beperkte voordelen voor ontwikkelingslanden zou opleveren, is er veel meer te winnen bij een liberalisering van de arbeid. Rodrik stelt voor dat de westerse landen tijdelijke arbeidsvergunningen zouden uitreiken aan arbeiders uit ontwikkelingslanden, die de arbeidsmarkt maar beperkt zou verruimen. Terwijl dit voor arbeiders in het westen minder concurrentie oplevert dan ongebreidelde vrijhandel omdat de arbeiders aan dezelfde binnenlandse voorwaarden werken, levert het voor ontwikkelingslanden meer op: deze arbeiders verdienen een mooie som die ze na hun termijn van bijvoorbeeld vijf jaar mee naar hun thuisland nemen samen met de vaardigheden die ze in het westen hebben opgedaan. Het is een zeer tot de verbeelding sprekend voorstel dat de vakbonden en de ontwikkelingsNGO’s zou kunnen verenigen. Ten slotte bespreekt Rodrik de belangrijkste uitdaging van deze tijd: het opnemen van China in de wereldeconomie. Rodrik meent dat China de vrijheid laten om via industrieel beleid haar economie te hervormen van één gebaseerd op export naar één gebaseerd op binnenlandse consumptie de beste manier is om internationale spanningen te vermijden. Deze optie zou China veel welwillender moeten maken om de renminbi te laten appreciëren.

Dit boek van één van de meest briljante economen van deze tijd verdient het om zeer breed gelezen te worden. Het is verplicht leesvoer voor onze politici. Indien zij over de durf beschikken om Rodrik’s advies te volgen en zichzelf dus weer de instrumenten te geven om echt richting te geven aan onze maatschappijen, dan zou de crisis van de voorbije jaren misschien toch niet voor niets zijn geweest.

Deze boekbespreking verscheen eerder in Oikos.