Massapsychologie speelt een belangrijke rol bij verschillende economische processen in een kapitalistische economie. Daarbij denken we vooral aan het ‘vertrouwen’[1] dat mensen hebben in economische structuren of agenten. Dat vertrouwen zorgt voor een ‘self-fulfilling prophecy’: wanneer de perceptie is dat het slecht gaat met iets of iemand, zal het er ook effectief slechter mee gaan in de toekomst. Hoewel Marxistische en andere kritische economen vaak eerder machtsverhoudingen en materiële processen benadrukken, kan men toch niet helemaal ontkennen dat massapsychologie een rol speelt in een (kapitalistische) economie[2]. Meer nog, voor links kan dat een extra voorbeeld zijn van de irrationaliteit van een kapitalistische economie. Bovendien kan dit element gebruikt worden om socialistische eisen meer kracht bij te zetten.
In het eerste deel van dit blogstuk wordt aangegeven hoe massapsychologie een belangrijke impact heeft op de economie, voornamelijk met voorbeelden van de huidige economische crisis. Vervolgens wordt beargumenteerd dat enkele eisen van een links project kunnen helpen om deze impact in te dijken en te minimaliseren. Zo komen we tot de centrale conclusie van dit blogstuk, namelijk dat bepaalde socialistische doelstellingen ook op massapsychologisch vlak economisch rationeel zijn, en dat een links beleid helemaal niet in tegenspraak is met ‘goed economisch beleid’.

Een eerste voorbeeld van de rol van massapsychologie, en in het bijzonder van ‘vertrouwen’, in de economische crisis die in 2007 uitbrak, vinden we in de financiële sector. Vooral toen de Amerikaanse overheid in september 2008 de investeringsbank Lehman Brothers liet failliet gaan, ging er een golf van paniek door de financiële markten. Deze en andere gebeurtenissen zorgden ervoor dat de banken bang werden om nog geld uit te lenen aan andere banken, omdat die ook failliet zouden kunnen gaan. Daardoor zou de uitlenende bank zijn leningen verloren zien gaan en op zijn beurt in de problemen komen. In technische termen heet het dat de 'interbankenmarkt' opdroogt. Bovendien stokt de kredietverlening aan gezinnen en bedrijven, wat in de economische wetenschap een “credit crunch” wordt genoemd. Dat is deels het gevolg van reële problemen bij de banken, maar deels ook het gevolg van psychologische effecten. Mede daardoor komt het dat gezinnen de ene dag nog worden aangespoord om zo veel mogelijk schulden te maken, en de volgende dag kredietwaardige gezinnen met moeite nog een lening kunnen aangaan.
Niet alleen in de financiële sector speelt massapsychologie een grote rol, ook in de reële economie is het belangrijk. Het belangrijkste voorbeeld in de reële economie is de invloed van vertrouwen van consumenten en producenten. Dat vertrouwen daalde sterk met de bankencrisis, zoals bij elke economische crisis opnieuw gebeurt. Consumenten gingen minder producten kopen, omdat ze vreesden dat ze werkloos zouden worden of dat hun lonen in de toekomst zouden dalen. Producenten gingen minder investeringen doen, omdat ze vreesden dat hun winstvoet zou dalen of dat ze hun producten niet meer zouden kunnen verkopen. Zo daalt de vraag naar zowel consumptiemiddelen als productiemiddelen. Een crisis is dus altijd zelfversterkend. Maar vertrouwen werkt ook omgekeerd. In goede tijden stijgt het vertrouwen van consumenten en producenten, waardoor ze meer gaan consumeren en investeren, en de economie nog meer aantrekt. Ook dat kan diverse negatieve gevolgen hebben. De invloed van massapsychologie zorgt dus dat de economie nog veel intenser in cycli werkt, met diepere dalen en hogere toppen. Dat vertrouwen een belangrijke rol speelt in de economie, wordt ook bewezen door het feit dat de peiling naar het consumentenvertrouwen en naar het ondernemersvertrouwen, maandelijks uitgevoerd door de Nationale Bank, twee van de belangrijkste aanwijzingen vormen voor de economische toekomst. Een hoog vertrouwen betekent goede vooruitzichten, een laag vertrouwen slechte vooruitzichten. Ook al is dat vertrouwen vaak gebaseerd op reële factoren, toch blijft het grotendeels gebaseerd op massapsychologie.
Crisissen waarbij individuele landen het vertrouwen verliezen van investeerders of speculanten zijn een derde groot voorbeeld van de invloed van psychologie. Zo zijn de muntcrisissen van de jaren 90 in de Aziatische landen en Rusland, naast door reële factoren, machtsstrijd en winstbejag, ook hoofdzakelijk veroorzaakt door psychologische factoren. Een ander recent voorbeeld is de hoge rente die Griekenland moet betalen op overheidsobligaties. Hoewel die hoge rente vooral veroorzaakt is door speculatie en druk op de Griekse staat om een minder sociaal beleid te voeren, is ook het wantrouwen in de Griekse overheid deels verantwoordelijk. Ook hier is massapsychologie dus van belang.
Wat heeft dit nu te maken met een socialistisch project? Of de rol van massapsychologie volledig kan uitgeschakeld worden binnen een socialistische samenleving, is afhankelijk van de uitwerking van het economisch beleid binnen deze maatschappij. Wat we hier echter willen aantonen, is dat binnen een kapitalistische economie linkse eisen kunnen helpen om de effecten van massapsychologie te neutraliseren of te minimaliseren, en dat socialistische eisen op dit vlak dus economisch rationeel zijn. Die linkse eisen zullen niet per se zorgen voor een hoger consumptie- of investeringsniveau, of voor meer economische groei, maar in ieder geval wel voor een stabielere economie, waarbij de toppen minder hoog zijn en de dalen minder diep.
Ten eerste kan een sterke vermindering van de vermogens- en inkomensongelijkheid een belangrijke rol spelen. Degenen die nu de laagste vermogens en inkomens hebben, kunnen vaak niet anders dan consumeren om in hun belangrijkste behoeften te voorzien. Zelfs bij een algemene vertrouwenscrisis blijft hun consumptie op peil, omdat ze moeilijk naar een nog lager niveau kan gebracht worden. Dat betekent dat als we de grootste vermogens en de hoogste inkomens afkalven ten voordele van mensen die zich tegen of onder de armoedegrens bevinden, dat de rol van massapsychologie een stuk vermindert. Daarbij moet niet enkel aan herverdeling binnen de nationale grenzen worden gedacht, maar ook (en zelfs nog meer) op wereldniveau. Er wordt de laatste tijd veel gesproken over de mogelijkheid dat China de VS zou vervangen als ‘motor van de wereldeconomie’. Dat is echter onmogelijk zonder een betere levensstandaard voor de vele Chinezen die zich onder de armoedegrens bevinden, om dan nog te zwijgen over de massa die woont in landen die helemaal niet hebben kunnen profiteren van de neoliberale globalisering. Deze redenering betekent uiteraard niet dat iedereen ter wereld consumptiepatronen naar Westerse normen moet overnemen, wat ecologisch destructief zou zijn. Het betekent wel dat als je iedereen op wereldniveau een levenswaardig inkomen bezorgt, ten koste van de (extreme) rijkdom, dat je een stabielere consumptie krijgt. Zelfs bij een algemene vertrouwenscrisis zal de consumptie van personen met een inkomen dat net hoog genoeg is immers op peil blijven, wat van personen uit de hogere middenklasse of hogere klassen minder gezegd kan worden.
Ten tweede kan een ‘sterke’ overheid via verschillende factoren ertoe bijdragen dat vertrouwenscrisissen minder voorkomen of minder erg zijn in intensiteit. Een eerste factor is dat zo’n sterke overheid meer inkomsten en uitgaven heeft, en op die manier zelf meer investeringen kan doen in bijvoorbeeld research & development, openbare diensten, groene energie… Wanneer een maatschappij zeer afhankelijk is van private investeringen, heeft de psychologie van de investeerders een veel grotere invloed op de hoogte van de totale investeringen (en dus de vraag naar productiemiddelen) dan wanneer de overheid een groter deel van de investeringen op zich neemt. Natuurlijk kan het gevolg van een sterke overheid zijn dat kapitaalkrachtigen hun geld eerder oppotten dan investeringen door te voeren. Deze ‘chantage’ is echter onaanvaardbaar, en we moeten de materiële en institutionele omstandigheden zo veranderen dat dit nog weinig invloed zal hebben op de economische toestand. Bovendien, zelfs als deze ‘chantage’ voorkomt en de private investeringsquote lager zal zijn, doet dat geen afbreuk aan het feit dat de investeringen stabieler zullen zijn. Een sterke overheid die een groter percentage van de totale investeringen voor zich neemt, zorgt immers voor een meer constant peil van investeringen, zodat de sterke fluctuaties in private investeringen minder impact hebben.
De tweede factor is dat een sterke overheid ook gewoon vertrouwen kan geven aan veel mensen. Een overheid die mensen bang maakt door te beweren dat er in de toekomst geen geld meer zal zijn om (de vele) pensioenen te betalen, zal minder vertrouwen inboezemen dan een sterke overheid die de pensioenen garandeert door bijvoorbeeld meer belastingen op (enkele) hoge vermogens te heffen. Dit staat ook in relatie met een artikel dat eerder is verschenen op deze website over de sociale bescherming in West-Europa. Onze sociale bescherming is niet alleen een buffer tegen de crisis, maar ook een buffer tegen een (nog grotere) vertrouwenscrisis. Mensen zullen niet alleen hun consumptiepeil aanhouden doordat ze sociale bescherming hebben, maar ook doordat ze zeker zijn dat ze sociale bescherming krijgen als ze die nodig zouden hebben.
De derde belangrijke socialistische eis die de gevaarlijke rol van massapsychologie kan verminderen, is de inspraak van mensen in het economisch beleid. Daarmee bedoel ik dan zowel ‘economische democratie’ op macro-economisch niveau (het niveau van de gehele maatschappij) als op micro-economisch niveau (inspraak in het beleid van de onderneming). Wanneer mensen zelf mee beslissen over de economie, zullen ze er normaal ook meer vertrouwen in hebben, en de toekomst beter kunnen beoordelen. Bovendien kunnen ze zo mee de besluitvorming in een richting duwen die ervoor zorgt dat dat vertrouwen groter wordt.
Deze drie eisen duwen de maatschappij niet alleen meer in een socialistische richting, ze zijn ook economisch rationeel. Door het optreden van vertrouwenscrisissen in kwantitatief en kwalitatief terug te dringen, kunnen ze het overgrote deel van de bevolking alleen maar vooruithelpen. Tot slot nog één bemerking. Zoals bij alle socialistische maatregelen, is het ook bij de drie genoemde eisen beter en waarschijnlijk zelfs noodzakelijk om deze op Europees niveau of een nog hoger niveau te implementeren.
[1] Ter illustratie: Het concept “vertrouwen” in de betekenis waarin het in dit blogstuk gebruikt wordt, komt 33 keer voor in het boek “Heylen, F. (2004). Macro-economie. Antwerpen: Garant.”
[2] Er zijn ook veel voorbeelden van kritische en Marxistische economen die wel belang hechten aan ‘vertrouwen’ in de economie, bijvoorbeeld Rasmus, J. (2009). Speculative capital, financial crisis and emerging epic recession. Critique, 37 (1), 31-49; Husson, M. (2008). Toxic capitalism. Geraadpleegd op 25 februari 2010 op http://hussonet.free.fr/toxicapa.pdf; Kliman, A. (2008). A crisis for the centre of the system. Geraadpleegd op 4 maart 2010 op http://www.isj.org.uk/index.php4?id=482&issue=120; Kettell, S. (2006). Circuits of capital and overproduction: a Marxist analysis of the present world economic crisis. Review of Radical Political Economics, 38 (1), 24-44.