Het is de gave van talentvolle historici om grote figuren van onder het stof te halen en hen een nieuwe betekenis te geven in de eigen tijd. Michel Winock, emeritus professor aan SciencesPo, schreef een schitterend werk over een vergeten Franse eerste minister: Georges ‘Le Tigre’ Clemenceau. De figuur Clemenceau zou inspiratie moeten kunnen bieden voor links, vandaag nog maar eens in crisis.
Clemenceau, de man van Versailles, is omstreden. Waarom? Net zoals hij extern werd afgeschreven als een bekrompen Franse nationalist, gebeurde dat intern omdat hij wel links was, maar niet meestapte in de radicaliserende Franse Socialistische Partij ten tijde van de stichting van de Communistische vakbond CGT. Bovendien stuurde Clemenceau ook troepen naar de Sovjet-Unie.
Zijn politieke stroming, die van het radicaal links republicanisme, is in de feiten voorbijgestoken door het socialisme. Na verloop van tijd zijn de radicalen zelfs gesplitst in rechts-, centrum- en linksradicalen. Maar nu het socialisme zelf regelmatig de hakken in het zand moet zetten om zich recht te houden tegen een veranderende omgeving, komen alternatieve uitwegen in beeld.
Waarvoor stond Clemenceau? Gezien de lange activiteitsboog van deze politieke figuur buiten alle proportie is, is dat niet eenvoudig. Tot aan zijn laatste ademtocht (24 november 1929) blijft hij de wereld afreizen en politieke tegenstanders neersabelen. Michel Winock geeft hem vier dimensies: de radicaal linkse parlementair; de Dreyfusard; de premier flic de France; ten slotte de in de Eerste Wereldoorlog.
I. De radicale parlementair
Clemenceau begint zijn carrière op de smeulende as van 1870: wanneer de Pruisen in de Spiegelzaal te Versailles het keizerrijk uitroen, wordt Clemenceau burgemeester van het linkse bolwerk Montmartre. Hij wordt député voor de Zuidelijke regio Var. In het Palais Bourbon valt hij zonder ophouden alle regeringen aan. Ook wanneer Jules Ferry, republikeins monument en de ‘uitvinder’ van de gratis, openbare en verplichte lekenschool, de plak zwaait, gaat de Tijger er met de botte bijl door.
In zijn krant L'Aurore en op de parlementaire tribune maakt Clemenceau gehakt van alles wat de regeringsleider doet. Zijn toespraken verkopen in uitgegeven vorm als warme broodjes en trekken de massa op de publiekstribunes. De vele citaten in het boek zijn een plezier om te lezen. Hadden we vandaag een Clemenceau gehad, dan zat Yves Leterme al lang in een dwangbuis.
De rooms-katholieke Kerk is Clemenceaus favoriete doelwit. Vol vuur vecht hij voor de waarden van de Revolutie. Frankrijk is immers absoluut niet homogeen gewonnen voor de republiek. Napoleon werd geplebisciteerd door het volk. Na de revolutie van 1848 brengt datzelfde volk Napoleon III aan de macht. Er zijn na 1789 nog genoeg monarchisten en katholieken over.
Deze tweedeling loopt ook vandaag nog door het land: er is een revolutionair, radicaal en links land, maar evengoed een autoritair, reactionair en katholiek land. Deze laatste stroming zal ook niet nalaten zich te beroepen op symbolen van of analoge instellingen aan het Ancien Régime. Bij elke verkiezing is er een krachtmeting tussen de twee. De statuten van de instellingen vormen onvermijdelijk een consensus tussen beide stelsels. Veel van de presidentiële regalia en voorrechten onder de Vijfde Republiek zijn doorslagjes van monarchale tradities.
Een interessant detail is ook zijn militant antikolonialisme. De expedities van de Derde Republiek in Afrika zijn voor de Tijger een reden om Ferry herhaaldelijk te hekelen. Frankrijk verliest zijn vitale veiligheidsbekommernis uit het oog (Duitsland, dat in 1870 met Elzas-Lotharingen is uitgebreid en elk moment naar Parijs kan rollen als een pletwals), maar ook dat de exploitatie van andere volkeren ver beneden de rang van de Republiek is.
II. Dreyfus
De carrière van de volksvertegenwoordiger kent een serieuze dip wanneer hij niet meer herverkozen raakt. Verraad, corruptie en het ten val brengen van de tegenstander zijn ook dan de favoriete speeltjes van Franse politici. Hij wordt ervan beticht verkocht te zijn aan de Engelsen... en de joden. Clemenceau begint een nieuwe carrière als romancier en journalist.
In de zaak-Dreyfus vindt hij een manier om terug in de spotlights te geraken. Hij oefent persoonlijk druk uit op de directeur van L'Aurore om de beruchte J'Accuse van Emile Zola te publiceren en speelt met genoegen een hoofdrol in de oneindige reeks processen waarin het Franse militaire gerecht zich belachelijk maakt: na jaren wordt de zaak-Dreyfus beslist met een onnozele gratiebeslissing van de president.
In de zaak-Dreyfus komen ook weer de ‘twee Frankrijken’ tegenover elkaar te staan. Hier met de belangrijke nuance dat links verenigd is in de strijd tegen het reactionaire, katholieke, monarchistische, racistische en jodenhatende stuk van de elite. Voor hen is Dreyfus veroordeeld voor verraad, door een militaire rechtbank. Het leger heeft een bijzonder statuut als vitaal onderdeel van de natie, dus kan het zich niet vergissen.
Zola wordt veroordeeld voor zijn uitdrukkelijke steun aan Dreyfus en de insinuatie van vervalsingen en machtsmisbruiken bij de legertop. Hij moet de benen nemen naar Engeland. Aan Clemenceau durft echter niemand te komen. De zetelende regering is er een van republikeinen. En binnen afzienbare tijd duikt de Tijger terug op... in de Senaat, een instelling waarvan hij eerder met veel vuur de afschaffing bepleitte, omdat ze enkel voor tijdverlies zou zorgen.
III. Aan de macht: meer dan ‘le premier flic de France’
Pour Clemenceau, la tradition de l'Etat absolu, autoritaire, le catholicisme impérial, ont installé en France ce face-à-face incapable de dialogue. ‘Gouverner, c'est tendre, jusqu'à casser, tous les ressorts du pouvoir. Etre gouverné, c'est tout subir en silence, jusqu'au jour de la grande rébellion théâtrale.’ (p. 220)
Het ambt maakt de man: Clemenceau verandert radicaal van mening. Hij gebruikt nu het Palais du Luxembourg om zijn gevecht voor de laïciteit en sociale hervorming verder te zetten. Zo werkt hij met Aristide Briand (later een tegenstander) aan de totstandkoming van de beruchte wet van 1905 op de scheiding van Kerk en Staat. Even later is het zijn beurt om eerste minister te worden (in de Derde Republiek de belangrijkste functie).
In deze nieuwe episode komt er een breuk tussen Clemenceau en de socialisten van Guesde en Jaurès. De eerste minister, die binnenlandse zaken onder zijn hoede heeft genomen, belooft de invoering van de achturendag en een algemene inkomstenbelasting. Daar komt niets van in huis, omdat hij de hele tijd geplaagd wordt door stakingen. De anarchistisch gedomineerde vakbond CGT legt overal waar ze kan de mijnbassins plat. Clemenceau weigert preventief het leger te sturen (zoals zijn voorgangers zonder problemen zouden gedaan hebben), stapt zelf ter plaatse om onderhandelingen op gang te brengen, maar is uiteindelijk verplicht om de zaak toch te laten ontruimen. Zonder dat er doden vallen.
Wanneer Clemenceau in de Assemblée wordt aangevallen door de socialisten, tovert hij met de glimlach een artikel van onze landgenoot Emile Vandervelde tevoorschijn, die het Franse voorbeeld ophemelt tegenover het repressieve optreden van de Belgische homogeen katholieke regering, die zonder pardon stakers omverknalt. In Frankrijk vloeit geen druppel bloed. Clemenceau wil de integratie van de sociale verzuchtingen in een republikeins kader. De rechtsstaat is voor hem de absolute waarde. Enkel in een onpartijdige lekenstaat, waar de individuele vrijheid beschermd wordt, kan men tegemoetkomen aan het lijden van de arbeidersklasse. Het is onzin om (zoals de anarcho-syndicalisten) te wachten op de dag van de revolutie. Die komt er misschien ooit wel, maar het zal al veel te laat zijn!
Dat Clemenceau voor individuele, en niet collectieve vrijheid en emancipatie is, betekent overigens zeker niet dat de staat machtsmisbruik moet tolereren (p. 218: ‘Qu'est-ce que votre laissez-faire, votre loi de l'offre et de la demande, sinon l'expression pure et simple de la force? Le droit prime la force: voilà le principe de la civilisation. Dès que nous avons constaté votre loi, à l'oeuvre contre la barbarie!’). Clemenceau gruwt van de dictatuur van de vrije markt. De wet van de markt is de wet van de sterkste. De wet van de sterkste, is de negatie van elke vorm van recht. En zonder recht sterft de samenleving. Het individu is deel van een sociaal korps, waarin het in een wederzijdse rechten- en plichtenrelatie opereert. Clemenceau kant zich tegen de commodificatie van menselijke waarden en essentiële sociale verbanden.
IV. Clemenceau en ‘les Boches’
Na de val van zijn ministerie kruipt Clemenceau terug in de pen. Maar de Eerste Wereldoorlog breekt uit. In Frankrijk hechten de socialisten zich uiteindelijk aan de nationale consensus van de Union Sacrée. De publieke opinie is evenwel zodanig vergiftigd, dat de pacifistische Jean Jaurès in Parijs wordt doodgeschoten door een nationalistische gek. Clemenceau is bij de eersten om het afscheid van zijn grote parlementaire tegenstander (die hem bestookte, zoals Clemenceau indertijd met Jules Ferry) te betreuren. President Poincaré vraagt de oude Tijger om in de regering te komen, maar hij weigert. Clemenceau wil de baas zijn.
Vanuit zijn traditionele uitvalsbasis, de pers, bestookt hij de regering, wanneer hij ze te laks of niet patriottisch genoeg vindt. Hier komt dan weer de donkere kant van de politicus boven. Intern verdedigt hij de rechtsstaat, maar extern kan het hem niet schelen. De voornaamste opdracht van een Fransman is om zoveel mogelijk ‘Moffen’ (Les Boches) omver te schieten. Clemenceau wordt gedreven door blind revanchisme.
Wanneer hij in 1917 eerste minister wordt, draagt de publieke opinie hem naar die functie. De situatie is allesbehalve rooskleurig (Lenin sluit de Vrede van Brest-Litovsk, de Amerikaanse versterkingen komen te traag, de dikke Bertha's beschieten de stad, Luddendorff begint een groot offensief) en Clemenceau slaagt er zeker in om Frankrijk gemobiliseerd te houden. Maar tegen welke prijs, uiteraard.
Waar hij voor de oorlog het recht op een eerlijk proces zonder problemen verdedigde, draait hij nu zonder problemen politieke tegenstanders de gevangenis in, op beschuldiging van laksheid ten opzichte van pacifistische of ondermijnende propaganda. Winock voert wel aan dat Clemenceau, in tegenstelling tot zijn voorgangers, enkel aan militaire en niet aan politieke censuur deed, maar dat vergoeilijkt mijns inziens zeker niet de bocht die hij in de Eerste Wereldoorlog neemt. Wanneer het nieuws van het Duitse voorstel voor een wapenstilstand hem bereikt, wil hij die onmiddellijk aanvaarden en lijkt hij oprecht blij dat de oorlog is beëindigd... op een overwinning.
Het verhaal van de onderhandelingen neemt niet zoveel bladzijden in. Toch kan de biograaf niet verbloemen dat het Verdrag van Versailles in de eerste plaats de doorslag is van Clemenceau's revanchisme. Men kan ter verdediging aanvoeren dat hij de Amerikaanse factuur van na de oorlog voelde komen: terugbetaling van de oorlogsleningen, terwijl Frankrijk financieel aan de grond zit, aangezien het als enige geallieerde land de vijand vier jaar op eigen grondgebied heeft gehad). Toch is het cynisme dat iemand met zijn hoge rechts- en waardestandaarden aan de dag legt in de internationale betrekkingen, teleurstellend. Hij is geïrriteerd door het arrogante gebalk van Woodrow Wilson en zijn Volkenbond. Wanneer Duitsland erin wordt opgenomen op initiatief van Briand, vindt Clemenceau dit een belediging voor de oorlogshelden.
In 1917 vertelt Clemenceau vol trots het verhaal over boeren in de Vendée (zijn thuisstreek), die van hun zes zonen er vier hebben laten sneuvelen voor het vaderland, eentje hebben zien wegkwijnen als krijgsgevangene en hem zonder verpinken het leven van de zesde geven, als Frankrijk het nodig heeft. Zijn loyauteit gaat dus ook niet verder dan Frankrijk. Clemenceau betuigt her en der wel wat lippendienst aan een internationale rechtsorde, maar... hij vertrouwt Duitsland niet genoeg om iets dergelijks te aanvaarden.
Na de Eerste Wereldoorlog biedt Clemenceau het ontslag van het kabinet aan, evenwel niet na een paar belangrijke sociale hervormingen doorgevoerd te hebben: de achturendag (bedoeld om stakingen van de CGT te vermijden, maar Clemenceau had op dat punt toch al beter moeten weten...) en de inkomstenbelasting komen uit zijn tweede kabinet. Na zijn ontslag is hij kandidaat bij de presidentsverkiezingen, maar de republikeinse partij laat hem in de primary schieten ten voordele van een vrij onbetekenende tegenkandidaat. Clemenceau trekt zich terug in zijn Parijse en Vendéese residentie, en bij zijn vrienden, zoals de schilder Claude Monet.
Schrijven doet hij, zoals zijn hele carrière door, onafgebroken. Hij maakt veel buitenlandse reizen (naar India, waar hij op tijgers jaagt). Uitnodigingen in Londen (waar hij Churchill bezoekt, maar weigert om Lloyd George te zien; wanneer deze hem uiteindelijk opvordert en vraagt naar de reden voor zijn koelheid, antwoordt Clemenceau dat de Britten Frankrijk hebben laten vallen, van zodra de vrede getekend was; antwoordt Lloyd George: ‘Mon cher, tel a toujours été notre politique...’) en de Verenigde Staten brengen de ster (Clemenceau sprak zeer vlot Engels, wat een verschil met Sarkozy!) naar nieuw publiek. In de VS probeert Clemenceau de logica van de Franse opstelling bij de Vrede te verklaren. De Amerikanen kennen niet genoeg Europese geschiedenis en krijgen best nog wat verhalen over vreemde invasies ingepeperd...
Dezelfde Amerikanen hebben Clemenceau in zijn hemd gezet met Versailles. De Senaat weigert het verdrag te ratificeren. Uiteindelijk sluiten ze zelfs apart vrede met Duitsland (de Tijger’s ergste nachtmerrie). Wanneer president Calvin Coolidge een aantal jaar later van de Fransen terugbetaling eist van de oorlogsleningen, schrijft Clemenceau hem nog een brief, om hem duidelijk te maken dat internationale betrekkingen niet louter ‘business’ zijn. Hij krijgt nooit een antwoord.
V. Conclusie: Clemenceau in de eenentwintigste eeuw
Clemenceau is een interessante figuur om aanknopingspunten te vinden voor een linkse heroriëntatie. Het radicaal verdedigen van de rechtsstaat, de bescherming die ze biedt en de mogelijkheden die ze individuen aanreikt om hun lot te verbeteren of hun recht te laten gelden. Tegen het machtsmisbruik dat grote ondernemingen, sociale groeperingen of de overheid jegens hen kunnen doen gelden. Het is de leidraad van van Mierts passage in de Europese Commissie: het indammen van de vrije markt hoeft niet te gebeuren op de klassieke basis, maar kan evengoed door een consequent vrijheids- en juridisch discours te voeren.
Bovendien is de figuur van de onophoudelijk schrijvende, sprekende en agerende politicus een indrukwekkende bron van inspiratie. Als je je zoals Clemenceau tot op je achtentachtigste kunt blijven opwinden over politiek -en ook steeds je eigen interessesfeer kan verleggen, zoals met zijn oriëntale en andere passies toen hij de tachtig al voorbij was- ben je erin geslaagd op leeftijd te komen zonder oud te worden. Had Clemenceau het internet gekend, dan was zijn productie misschien nog indrukwekkender geweest. In dat opzicht is het vandaag ook een stuk eenvoudiger om hetzelfde te doen: de publicatiebronnen zijn vandaag zodanig divers en de materiële drempels zodanig laag (in de negentiende eeuw moet je geld bijeen scharrelen voor een krant, die een lage oplage haalt) dat het geen moeite kost om een stroom van persoonlijke opinies in leven te houden.
Winock ziet in het optreden van Clemenceau, ondanks de veranderingen die een mens ondergaat in 88 levensjaren, toch een consequent vasthouden aan zijn republikeinse ideaal. Bovendien vindt de biograaf dat je Clemenceau de opkomst van Hitler niet in de schoenen kan schuiven, onder meer door de veranderde opstelling van de Amerikaanse regering en het verloop in het politieke personeel eens de Tijger weg is van de macht. Ongetwijfeld is zijn analyse niet echt precies en laat ze nog steeds ruimte voor de andere stellingen (namelijk: Clemenceau heeft zich door zijn drang naar een uitvoerend mandaat zodanig dicht aangeschurkt bij de burgerlijke staat, dat hij er zelf deel van is gaan uitmaken, om uiteindelijk de nieuwe linkerzijde te vervolgen; Clemenceau is op het einde van zijn leven een rancuneuze ultranationalist, die verantwoordelijkheid draagt voor het uitbarsten van de Tweede Wereldoorlog), maar dat is nu eenmaal altijd het lot van biografieën.
Tenzij het personage zelf vrij vroeg het bijltje erbij heeft neergelegd, ondergaat het altijd een psychologische evolutie. Lodewijk XIV is op zijn zeventigste helemaal niet dezelfde als op zijn drieëntwintigste. Frederik II de Grote is op het einde van zijn leven een personage waar zijn jeugdige zelf zwaar mee in conflict zou verkeren. Je kan dat proberen te verklaren door de invloed van figuren uit het gevoelsleven (wat in deze biografie eigenlijk niet gedaan wordt, Clemenceau is een puur door politiek gedreven wezen, pas in het voorlaatste hoofdstuk wordt erop teruggekomen) of door de evoluerende algemene context. Bij personen die zélf die context vormgeven, is dat moeilijker.
Clemenceau komt pas op het einde van zijn leven in een leidinggevende rol. Voor hij eerste minister wordt, hebben zijn opiniërende activiteiten wel een belangrijke invloed op de voornaamste actoren, maar is hij vooral een blaffende hond die af en toe eens bijt. Wanneer hij de kans krijgt om zijn links-republikeinse idealen om te zetten in beleid, lukt dat niet. Het voorbeeld van de CGT-stakingen en de trage parlementaire werking is al gegeven, maar dit kan evengoed anders bekeken worden voor zijn houding tijdens de oorlog. Is Clemenceau, ondanks zijn uitzonderlijke vitaliteit, niet het slachtoffer van zijn eigen leeftijd? Hij wordt beschreven als een autoritair en hautain debater. Hij scheldt tegenstrevers de huid vol en behandelt ze als imbecielen.
Je kan argumenteren dat de oorlogstoestand nu eenmaal noodzaakt om te wieden in politieke en andere afwegingen. Maar verengt Clemenceaus bewustzijn zich niet? Zijn reactie op de stakingen in 1907 is logisch en houdt vast aan dezelfde rechtsstaatprincipes. In de crisissituatie van de Eerste Wereldoorlog schuift hij echter zijn progressieve idealen aan de kant. Hij aanziet zijn autoritair reageren misschien als een tijdelijk carcan. Toch blijft hij na de oorlog verder denken in dezelfde termen: ‘Frankrijk’, ‘natie’, ‘Duitsland is fundamenteel slecht’... Hier verandert Clemenceau. Ook omdat de politieke evolutie in Frankrijk maakt dat het links-republicanisme wordt voorbijgestoken door nieuwe krachten op links.
In België had Clemenceau zeker tot de BWP behoord (linkse burgerij, virulent antiklerikaal, geen plaats in de grote rechtse lekenpartij). In Frankrijk steken de SFIO (Section Française de l'Internationale Ouvrière) en aanhangsels pas na de Eerste Wereldoorlog de radicalen voorbij. Ook al omdat het nationale bewustzijn er samenhangt met de republiek en de lekenstaat. In België bestond dit soort nationalisme niet echt, tenzij misschien in de liberale partij, zij het zonder sociaalreformistische opvattingen.