De arbeiders stemmen links vanuit hun materiële belangen. Het lijkt een electorale evidentie te zijn, maar niets is minder waar. Het is in linkse middens soms een taboe, maar heel wat arbeiders en werklozen stemmen voor het Vlaams Belang en LDD. Meer zelfs, de arbeidersklasse is ook niet per definitie voorstander van de welvaartsstaat. Het zijn deze paradoxen die Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks trachten uit te vissen in hun boek. Hun onderzoek moet gesitueerd worden tegen een intellectueel en politiek klimaat waarin ‘social class’ en ‘class voting’ dood verklaard werden. Sinds de opkomst van het postmaterialisme zouden mensen in hun kiesgedrag immers louter gedreven geworden door culturele thema’s zoals identiteit, het bewaren van de sociale orde, persoonlijke vrijheid… in plaats van door klassenbelangen. De electorale successen tijdens de laatste decennia van zowel groene als extreemrechtse partijen zijn hier het resultaat van. Het noopte sociaaldemocratische partijen er ook toe meer en meer culturele thema’s in hun verkiezingsprogramma’s te verwerken.

De auteurs tonen aan de hand van kiesintenties en partijprogramma’s in verschillende Westerse landen aan dat culturele thema’s inderdaad sinds WOII meer en meer centraal zijn komen te staan. Ze weerleggen echter op magistrale wijze dat het electorale belang van sociale klasse afgenomen zou zijn. Ter illustratie: in de VS stelden in 1960 ca. 5% van de mensen expliciet dat culturele thema’s (zoals abortus, de doodstraf…) belangrijk waren bij het uitbrengen van hun stem voor de presidentsverkiezingen tegenover ca. 20% van de mensen die klassenthema’s belangrijk vonden. In 2000 waren beide thema’s goed voor elk ca. 20% van de uitgebrachte stemmen. Conclusie: culturele thema’s zijn belangrijker geworden, maar dat gaat niet ten koste van het belang van sociale klasse.
Interessant zijn zeker ook hun inhoudsanalyses van de partijprogramma’s in twintig Westerse landen sinds WOII. Hieruit blijkt dat linkse partijen op cultureel vlak linkser of toch progressiever zijn geworden, maar dat ze op economisch vlak rechtser zijn geworden. De uitzondering hierop vormen de communistische partijen. Liberale partijen zijn op beide vlakken relatief stabiel gebleven en christendemocratische partijen zijn op beide vlakken licht naar links opgeschoven. De partijprogramma’s van conservatieve partijen zijn dan weer op economisch vlak relatief stabiel gebleven, maar op cultureel vlak rechtser, zijnde met een grotere nadruk op autoritarisme. Dat resulteerde in een toename van de ideologische polarisatie tussen partijen op cultureel vlak, maar een afname van de polarisatie op economisch vlak.
Maar waarom stemmen arbeiders dan rechts? Wat drijft hun voorkeur voor rechts-culturele thema’s? Bij de arbeidersklasse blijken twee tegengestelde electorale mechanismen te spelen. Enerzijds zorgt hun zwakke materiële positie gemiddeld voor een hoge mate van economisch egalitarisme (lees: solidariteit met de medemens), waardoor een groot deel nog altijd op links stemt. Anderzijds zorgt hun ‘lage’ opleiding en (in sociologische termen) beperkte hoeveelheid van ‘cultureel kapitaal’ ervoor dat ze gevoeliger zijn voor autoritarisme, waardoor ze op rechts stemmen. Doordat klasse bepaald wordt door zowel de materiële positie als het opleidingsniveau vonden veel onderzoekers in het verleden geen verband tussen klasse en stemgedrag, met als gevolg dat ze klasse dood verklaarden. Dit onderzoek weerlegt deze consensus dus: ‘class voting’ komt nog steeds even sterk voor als vroeger.[1]
Het hoofdstuk over economisch populisme is zeker ook interessant om te lezen. Economisch populisme, zoals het momenteel voorkomt bij het VB en LDD, kenmerkt zich door een opmerkelijke combinatie van enerzijds het afwijzen van de welvaartsstaat en anderzijds het benadrukken van de solidariteit met “de gewone, hardwerkende mensen”. Het zijn immers “profiteurs” die leven in “de sociale hangmat van de welvaartsstaat”. Deze profiteurs worden dan doorgaans vereenzelvigd met ofwel dé Walen ofwel dé migranten. Opmerkelijk is dat arbeiders en economisch niet-actieven wel oor hebben naar een dergelijk discours. Hoewel ze er alle belang bij hebben om de welvaartsstaat te ondersteunen, stemmen ze toch op die partijen die pleiten voor de afbouw ervan. De auteurs verklaren dit terug vanuit deze electoraal tegengestelde mechanismen. Door hun economisch zwakke positie zijn ze zeker meer solidair, maar hun opleiding zorgt voor een hogere mate van particularisme en exclusivisme (= enkel sociale steun voor Vlamingen).
De auteurs voorspellen in hun laatste hoofdstuk dat culturele thema’s nog belangrijker gaan worden in het politieke debat van de toekomst. De vraag is nu hoe links hier mee moet omgaan. Het negeren van culturele thema’s lijkt me geen optie. Links moet durven praten over thema’s als identiteit, migratie, het “sociale profitariaat”… zonder echter in rechtse clichés te vervallen. Daarenboven moet links ook durven terug links te zijn op economisch vlak. Class is not death! Bovenstaand onderzoek toonde ondermeer aan dat de partijprogramma’s van linkse partijen de laatste decennia op economisch vlak rechtser zijn geworden. Misschien is dat ook één van de redenen waarom arbeiders meer cultureel zijn gaan stemmen. Ze vonden immers op economisch vlak hun gading niet meer bij de linkse partijen. Sociaaldemocratische partijen vertolken op dit moment zeer goed de materiële belangen van tweeverdieners uit de middenklasse (bvb. het pleiten voor meer kinderopvang, flexibilisering van de loopbaan…). Dit zijn zeker belangrijke thema’s die behouden moeten blijven. Niettemin toont onderzoek aan dat de arbeidersklasse er minder van kan profiteren. Bijgevolg moeten deze economische thema’s aangevuld worden met thema’s die ook de materiële belangen van de arbeiders verdedigen. Tenslotte onderstreept dit boek nogmaals het belang van onderwijs. Wil men een dam opwerpen tegen cultureel rechts, investeer dan in opleiding en scholen. Dit moet de strategie van links op de lange termijn zijn.
Houtman, D. & Achterberg, P. & Derks, A. (2008). Farewell to the leftist working class. New Jersey: Transaction Publishers, 144p.
[1] Op dit hoofdstuk heb ik als socioloog minstens twee methodologische opmerkingen. Ten eerste is het jammer dat de niet-actieven (zoals de huismoeders, mensen die nooit gewerkt hebben, studenten…) niet als extra categorie aan de klassencategorieën toegevoegd werden. Deze categorie is goed voor ca. 10 à 15% van de populatie en zijn inhoudelijk ook interessant. Ten tweede is de hoeveelheid cultureel kapitaal van een persoon wel zeer high-brown geoperationaliseerd, zijnde door het aantal boeken dat hij thuis heeft en/of de laatste maanden gelezen heeft, en het bijwonen van culturele evenementen zoals theatervoorstellingen en dergelijke. De combinatie van zowel ‘hoge’ als ‘lage’ cultuuruitingen leek me meer aangewezen. Databeperkingen zijn hier echter waarschijnlijk de oorzaak van.