Naar links en dan vooruit! Maar hoe?
Ik zal maar beginnen met een persoonlijke anekdote: ik woon al sinds mijn zes jaar vlak bij het Van Beverenplein, en 't Dracuna, volksbuurten in Gent met een sterk multiculturele samenstelling. Maakt dat van mij een betere socialist? In mijn ogen alvast niet. Dat Erik De Bruyn in zijn boek 'Rooddruk voor een nieuw socialisme' begint met te benadrukken dat hij tussen de ‘werkende klasse’ in Deurne Noord woont, geeft hem voor mij dan ook niet meer of minder geloofwaardigheid. Ook de Dedeckers van deze wereld gebruiken immers het argument van 'man van het volk'. Op termijn kan je toch enkel de wereld veranderen met inhoud. Die inhoud is niet slecht, maar helaas soms te vaag. De Bruyn beschrijft mooi de vele tekortkomingen van het kapitalistische model en de nood aan een alternatief politiek programma. Hij geeft echter te weinig aan hoe dat politiek programma er dan moet uitzien, en met welke strategie we zo’n programma kunnen verwezenlijken.

In het eerste deel heeft De Bruyn het over 'democratie'. De stelling is dat er op drie vlakken een gebrek aan democratie is: een gebrek aan politieke democratie is, een gebrek aan economische democratie, en een gebrek aan interne partijdemocratie. Het aanhalen van deze drie deficits is zeker terecht, en een socialistisch programma kan niet zonder oplossingen voor deze deficits. Het is enkel spijtig dat De Bruyn eerder blijft steken in algemeenheden, en weinig concrete voorstellen doet om de democratie te versterken. Nog één opmerking: hij lijkt op een bepaald moment te beweren dat de sociaal-democratie zich moet richten op de ‘arbeidersklasse’ en minder op de middenklasse. Hoewel daarover een interessante en uitgebreide discussie kan gevoerd worden, is het volgens mij geen of-of-verhaal, maar eerder een én-én-verhaal.
Deel 2 handelt over 'samenleven'. Ten eerste moeten we leren samenleven met de Franstaligen. Daarbij lijkt het belangrijkste argument te zijn dat een staatshervorming synoniem is met een terugtredende overheid, en dat in een onafhankelijk Vlaanderen de krachtsverhoudingen nog sterker in het voordeel van het kapitaal zouden zijn dan nu. In het algemeen lijkt mij dit wat simplistisch. We moeten nu al immers voor het overgrote deel werken in een Vlaamse context. De Bruyn vertoont hier een typisch linkse reflex, om verkrampt om te gaan met communautaire vraagstukken. Maar goed, om dit debat uitgebreid te voeren, heb je al meer dan één boek nodig.
Naast met de Franstaligen moeten we ook met de 'migranten' leren samenleven. Ondanks dat hij af en toe duidelijk linkse standpunten uitdraagt, neemt de Bruyn bij momenten een populistisch discours over. Dat hij tegenstander is van positieve actie ‘omdat dat verdeelt’, is al een uitspraak waarbij je twijfels kan uiten. Maar vooral volgende zin werkt irritatie op: ‘Het multiculturalisme pampert zowat alles wat van vreemde oorsprong is.’ Dit is een torenhoog cliché, waarbij je niet alleen inhoudelijk sterke vraagtekens kan plaatsen (klopt het wel dat ‘het multiculturalisme pampert’?), maar dat ook elk links beleid tegenover migratie en diversiteit bij voorbaat delegitimeert. Er moet in het achterhoofd gehouden worden dat De Bruyn afkomstig is van Antwerpen, en dat de SP met dit soort denkbeelden ook scoort in Nederland, maar toch is het spijtig dat iemand als De Bruyn –ook voorstander van een hoofddoekenverbod voor ambtenaren- niet meer en betere linkse alternatieven aanreikt voor het heersende debat over de multiculturele samenleving.
In deel 3 schrijft de Bruyn over de economie, voor marxisten nog altijd de onderbouw, en deel 3 is dus niet toevallig het langste deel van het boek. Het goede is dat hij veel problemen terecht aanhaalt, dat hij veel feiten en voorbeelden citeert die zijn ideeën ondersteunen, en dat hij af en toe enkele goede, relatief simpele oplossingen aanhaalt (rechtvaardige belastingen, sterke overheidsbedrijven, ...). Toch enkele opmerkingen. Ten eerste probeert De Bruyn, ik vermoed vooral om tactische redenen, de macht van het internationaal kapitaal te minimaliseren. Dit is een tactiek die ook vanuit een linkse invalshoek kan worden bekritiseerd. In het huidige mondiale kapitalisme zal het voor kleinere staten zoals België moeilijk worden om een links beleid te voeren, onder andere door de kapitaalmobiliteit en de internationale institutionalisering van neoliberale regels in diverse verdragen en internationale organisaties. Het is dan ook spijtig dat De Bruyn het niet meer heeft over oplossingen om die macht van dat internationaal kapitaal tegen te gaan. Ten tweede spreekt De Bruyn zich maar weinig uit over heikele punten. Wat met delokalisering bijvoorbeeld? Is kapitalistisch protectionisme (en dus geen sociaal of ecologisch protectionisme) gerechtvaardigd? Of nog: moeten we werk ‘creëren’, zoals ook iemand als Frank Vandenbroucke steeds herhaalt? Of moet een socialistische oplossing net uitgaan van het principe dat zo weinig mogelijk ‘vervreemdend’ werk net beter is? Over deze twee kwesties was de mening van De Bruyn zeer welkom geweest.

Het vierde deel van het boek handelt over ecologie. Voor iemand die als een ‘oud-socialist’ wordt bestempeld, is het positief dat hij een degelijk hoofdstuk wijdt aan het ecologische vraagstuk. Toch zijn er ook hier enkele vraagtekens te plaatsen. Over de vraag wat er in concrete gevallen moet gebeuren waarbij er een afweging moet gemaakt worden tussen tewerkstelling en ecologie, spreekt De Bruyn zich slechts één keer uit. Daarbij toont hij zich voorstander van de productie van SUV’s voor Opel, als dat de enige manier is om de fabriek open te houden. Het is maar zeer de vraag of dat een goede oplossing is, nog los van de vraag hoe duurzaam die tewerkstelling zou zijn. Ook lijkt hij een beetje bang om mensen normen op te leggen, hier in het bijzonder op het vlak van vleesconsumptie. Nochtans zijn er zeer zinnige argumenten voor vaste regels voor vervuilend transport, vleesconsumptie, … We moeten trouwens niet bang zijn om de samenleving beperkingen op te leggen, het kapitalisme legt op vele manieren veel méér beperkingen op.
In zijn boek haalt De Bruyn ook herhaaldelijk de redenen aan waarom hij binnen de sp.a blijft werken. Deze tactische beslissing bevat veel ruimte voor discussie, een discussie die ik hier niet zal bespreken. In ieder geval is Erik De Bruyn een zeer welgekomen dissidente stem in een allesoverheersend neoliberaal klimaat, ondanks de verschillende kritische bedenkingen die hier zijn gemaakt. Een grote verdienste is dat hij een tussenweg vindt tussen gematigde en radicale oplossingen, en zo misschien ook meer gematigde mensen kan bereiken die zich vragen stellen bij het huidige systeem. Het boek is verder goed gedocumenteerd en demonstreert met veel voorbeelden, cijfermateriaal, persoonlijke anekdotes en woordspelletjes de zware tekortkomingen van het kapitalistisch model en de nood aan een alternatief politiek programma. Spijtig genoeg resulteert dat niet altijd in even creatieve oplossingen en concretere programmapunten. Nog stof genoeg voor een volgend boek dus!
Links:
1. EPO: Biografie Erik De Bruyn
2. EPO: Boek
3. Weblog van Erik De Bruyn